Pagina's

vrijdag 30 september 2022

82. Terugreis

[Wat voorafging]

‘Wat denk je van de Oostpolitiek,’ gaat Metzger verder. ‘Ze zeggen dat Willy Brandt een agent is van de KGB. Of tenminste dat hij in de oorlog voor de KGB heeft gewerkt.’ Hij kijkt Gerhard onderzoekend aan. ‘Maar dat zal wel overdreven zijn, he? Hoe dan ook, dat hij van de zomer in Moskou is geweest, dat zit me helemaal niet lekker. Zelfs Anita is het daar niet mee eens, he?’
‘Nee, natuurlijk niet,’ zegt Anita levendig. ‘Mijn vader heeft in Rusland gezeten. Die kan je dingen vertellen! Daar lopen je de rillingen van over de rug! En ze haten de Duitsers. Voor hun zijn wij beesten. Maar ze zijn het natuurlijk zelf. Ik weet daar verhalen over…’
‘Ja, ja,’ zegt Metzger misnoegd. ‘Die verhalen kent Herr Gerhard wel. Maar wat ik zeggen wilde…’
Maar Gerhard maakt een afwerend gebaar.
‘Een andere keer Metzger.’
‘Pardon?’
‘Als je me nu met rust wilt laten.’
Gerhard pakt de aktentas die aan zijn voeten staat, en tilt die op zijn schoot.
‘Ik wil graag nog wat werk doen.’
‘Maar…’
‘Alsjeblieft.’
Dat moet Metzger even verwerken, maar binnen een seconde breekt zijn stralende lach weer door. Hij springt overeind, en trekt Anita mee. ‘Natuurlijk, chef. Spreekt vanzelf, chef. Leuk je even gezien te hebben.’ Hij grabbelt in de binnenzak van zijn windjack en haalt een kaartje tevoorschijn, waar hij een krabbel opzet.
‘Goed bewaren,’ zegt hij. ‘Dit is een passe-partout. Als je dit laat zien, ben je gratis welkom in al mijn vestigingen. Waar je ook bent. Wanneer je maar wilt. We zijn open van tien uur ‘s ochtends tot tien uur ‘s avonds. En…
Nee, kom Anita, we willen Herr Gerhard niet van zijn werk houden.’


donderdag 29 september 2022

81. Terugreis

[Wat voorafging]

Blijkbaar is Gerhard toch in slaap gesukkeld, maar hij wordt onmiddellijk wakker als een schelle stem hem aanspreekt. ‘Chef, he, chef!’ In het gangpad staat een gestalte die hij kent. Een kleine, wat corpulente man, in een sportjack, boven een overhemd met een brede, openstaande kraag. Bruin buiten het seizoen. Breed lachend. De rits van zijn gulp niet helemaal tot boven dichtgetrokken.
‘Metzger, chef, Stanley Metzger.’
‘Metzger,’ zegt hij beduusd.
‘Ik zag je zitten, chef. Diep in slaap. De mond open. Geen gezicht.’
Gerhard slikt moeizaam. Hij heeft inderdaad een kurkdroge mond.
‘Te lang doorgewerkt, gisteravond?’
‘Wat doe jij hier?’
‘Zaken, zaken.’
Metzger tast achter zich en trekt een hoogblonde deerne naar voren.
‘Anita, zeg hallo tegen de chef.’
Het meisje lacht onbehagelijk.
‘Emmerich Gerhard,’ zegt Metzger. ‘Je weet wel. Ik heb het vaak over hem gehad. The Big Man from Hamburg.’
‘Ik werk niet meer in Hamburg,’ zegt Gerhard kortaf.
‘Heb je er bezwaar tegen als we er even bij komen zitten?’
‘Waar zijn we?’
Metzger schuift op de bank tegenover Gerhard, en gebaart dat Anita naast hem moet gaan zitten. ‘We hebben net de stop in Koblenz achter de rug,’ zegt hij. ‘We zijn hier ingestapt. Ik heb een zaak in Koblenz, weet je. Nieuw. Super de lux. Jij volgt dat natuurlijk niet, vanuit jouw hoge positie, maar het gaat me echt voor de wind. Weet je nog dat we elkaar zagen op Sylt? Wanneer was dat, in ‘65? ‘66? Ik was toen net voor mezelf begonnen. Fitnessartikelen, weet je nog. En ik had die sportschool geopend. Je bent er wel eens geweest. Leuk dingetje. Maar daar is het niet bij gebleven, chef. Weet je hoeveel ik er momenteel heb? Nou? Anita? Twintig meneer. Twintig sportscholen. Een keten.’
‘Gefeliciteerd.’
‘En ook wel interessant, ik heb diverse collega’s aan werk kunnen helpen. Kessler, herinner je je die nog? Die runt tegenwoordig een school in Bad Homburg. En Weissbauer…
Maar Gerhard onderbreekt hem.
‘Waar ga je naar toe?’
Metzger werpt hem een snelle blik toe. ‘Keulen,’ zegt hij. ‘Standort. Dicht bij het centrum van de macht, boss. Volgend jaar wil ik een vestiging openen in Bonn. Met speciale arrangementen voor de heren politici. En we gaan beginnen met sauna’s. Dat heeft nog wel wat voeten in aarde. Sauna’s hebben veel aantrekkingskracht op homoseksuelen. We moeten er nog wat op vinden om die te weren zonder dat we in juridische problemen komen. Hoe doen de politiediensten dat trouwens, dat heb ik me wel eens afgevraagd.
‘De politiediensten doen dat niet,’ zegt Gerhard nors.
‘Het zal ook wel niet nodig zijn,’ zegt Metzger tevreden. ‘Welke homo wil nou smeris worden. Al is tegenwoordig alles mogelijk. Dat heb je met de Sozis aan de macht. Daar is niets meer heilig.’
Hij kijkt Gerhard aan en lacht een beetje onzeker.


woensdag 28 september 2022

80. Terugreis

[Wat voorafging]

Gerhards ogen vallen dicht. Zijn laatste ontmoeting met Irmgard Konopka is al meer dan twee jaar geleden, denkt hij. In april ‘68 kreeg hij een telefoontje op zijn werk in Hamburg. De bekende stem, laag, en zoals altijd een beetje hees van de Gauloise-sigaretten waarvan ze er te veel rookte. Ze gaf hem een adres. Een Chinees restaurant in Altona. Daar zat ze al te roken, met voor zich op tafel een potje thee. Ze zag er niet goed uit. Mager. Met nog steeds die zware wallen onder de ogen. Bijna groenig in het licht van de rode Chinese lantaarntjes. Ze begon bijna onmiddellijk over de aanslag die Eva Richter en Christian Staüberle hadden uitgevoerd in Frankfurt. Hij wist van niets. Zag in die tijd nauwelijks kranten, want hij zat tot over zijn oren in het onderzoek naar een omvangrijke sigarettensmokkel. Uit wat ze zei maakte hij op dat het ging om een nogal primitieve poging om met brandbommen de vierde verdieping van een warenhuis in brand te steken. De sprinklerinstallatie had het vuur gedoofd vóór de brandweer met de gebruikelijke poeha naar binnen stormde. Staüberle en Eva Richter stonden gniffelend in het publiek, en schepten, later in de kroeg, de hele nacht tegen wie maar horen wilde op over hun verzetsdaad.
‘Wat was de schade?’ vroeg hij.
‘Het gaat niet om de vernietiging van de waren,’ zei ze scherp. ‘In wezen is zo’n aanslag bijna contrarevolutionair. De verzekering dekt de schade. De artikelen worden tegen verkoopsprijs vergoed. Zelfs de winst is verzekerd.’ Ze maakte een wegwuivend gebaar. ‘Wat er progressief is aan zo’n actie, is het criminele karakter ervan. Het feit dat de wet wordt overtreden.’ Er volgde een hele tirade. Eigenlijk precies wat ze later, in oktober, bij het proces tegen Staüberle en Richter, in haar krant schreef.
Toen ze klaar was, viel er een stilte, waarin ze hem aankeek.
Hij had geen commentaar.
‘Waar gaan we heen?’ zei ze. ‘Bij Stuhl kunnen we niet meer terecht. Misschien kunnen we naar Sylt rijden?’ Maar dat geloofde ze zelf niet. ‘Kan het bij jou?’
Wist ze van Magda? Ja, waarschijnlijk.
‘We kunnen naar een hotel gaan,’ zei hij.
Ze knikte.
‘Maar moeten we niet iets eten?’
Ze schudde het hoofd en schoof haar stoel naar achteren. Ze keek op het bonnetje voor haar thee, en legde vijf mark op de tafel. Toen ze naar buiten liepen, pakte ze zijn hand vast…


dinsdag 27 september 2022

79. Terugreis

[Wat voorafging]

Via de SPD dwalen zijn gedachten opnieuw naar Irmgard Konopka. Die nooit veel sympathie voor de partij aan de dag had gelegd. Maar dat was misschien plagerij, omdat ze wist dat hij lid was. Revisionisten noemde ze de sociaaldemocraten. Dat woord kende hij niet. In de villa in Blankenese had hij er een keer naar gevraagd. Maar ze wuifde het weg.
‘En Brandt, is dat ook een revisionist?’ vroeg hij, om haar te provoceren.
Ze haalde haar schouders op. ‘Brandt is een pseudoniem,’ zei ze. ‘Eigenlijk heet hij Frahm. Herbert Frahm. Maar dat weet je natuurlijk.’ Ze draaide zich om en pakte een sigaret van het beddenkastje. ‘Hij is een agent geweest van de KGB.’
‘De KGB?’ zei hij, quasi-verbaasd.
‘O zeker,’ zei ze. ‘Het is niets nieuws hoor.’ Ze lepelde het verhaal op van de KGB-kolonel die met informatie over Brandts achtergrond was overgelopen naar Groot-Brittannië; van de Zweedse geheime dienst, die een dossier had over de contacten die Brandt in de oorlog onderhield met de Russen. 
Gerhard knikte bedachtzaam, en ging er niet op in. Hij wist wel beter. Die verhalen over Brandt, dat was bekende desinformatie. In werkelijkheid werkte Brandt al tijdens zijn jaren in Zweden voor de CIA.
‘Ken je Brandt?’ vroeg Konopka.
Hij haalde zijn schouders op.
‘Ik heb hem meer dan eens ontmoet, weet je. Toen hij burgemeester was in Berlijn. Persoonlijk geen onaardige vent. Zijn zoon zit trouwens bij de Trotskisten.’
Konopka. Op het bed in de villa in Blankenese. Wanneer was dat? In ‘67? Nee, waarschijnlijk in ‘66. Na haar scheiding in ‘67 was ze in Berlijn gaan wonen en had hij haar eigenlijk nauwelijks nog gezien. Ze was steeds nauwer betrokken geraakt bij de nieuwlinkse beweging die daar bezig was te ontstaan. Foto’s van Konopka op bezoek bij Kommune I. In een duur mantelpak, met diepliggende ogen en slordig geknipt haar. Bij een demonstratie van jonge vrouwen, dissidenten uit de studentenvakbond, die hun recht op abortus eisten. Ze bleef nog wel schrijven voor Stuhls blad. De stem was dezelfde als die van vroeger, maar steeds vaker kon je in wat ze schreef ook echo’s horen van wat de protestbeweging bezig hield.


maandag 26 september 2022

78. Terugreis

[Wat voorafging]

In Frankfurt moet Gerhard overstappen. De kilte van het perron en het gehaaste rondkijken naar zijn aansluiting verdrijven Irmgard Konopka uit zijn gedachten. Als hij eenmaal zijn plaats heeft gevonden in de sneltrein naar het noorden, laat hj zichzelf wegzakken in speculaties over de opdracht die Bödel hem heeft gegeven. Sectie Vier bestaat niet meer, heeft hij gezegd. Dat is niet meer van deze tijd. Onbegrijpelijk is dat niet. Sectie Vier was vanaf het begin een ad-hoc-oplossing. Maar deze opdracht? Is dat dan Sectie Vier Nieuwe Stijl?  Een clandestiene operatie, dat zeker. Illegaal. Of hoogstens semilegaal. En hij staat er alleen voor. ‘Met alle medewerking van de diensten’, maar hoever dat strekt, dat staat te bezien.
Uit welke hoek komt dit plan? Dat het een initiatief is van Bödel zelf kun je uitsluiten. Zo lopen de hazen niet in de Bondsrepubliek. Regeringsbeleid dan? Dat is al even onwaarschijnlijk. Het kan bijna niet anders of dit komt uit de politieke hoek. En als het politiek is, wat het is, dan kan het bijna niet anders of het is een opzetje van de partij die tegenwoordig in de Bondsrepubliek de dienst uitmaakt, de SPD. De SPD? Brandt natuurlijk. Dit plan komt, denkt Gerhard bitter, uit het Kanzleramt. De conclusie is hem al in de bistro door het hoofd geflitst, en hoe langer hij er over nadenkt, hoe zekerder hij is. Dit is een manoeuvre uit de koker van de bondskanselier. Hoog gegrepen. En met een huizenhoge kans op mislukking, dus met allerlei slagen om de arm georganiseerd. Maar als het lukt, de sky is the limit. Als het lukt, zitten de sociaaldemocraten tien, twintig jaar vast in het zadel. En hij mag het uitvoeren. Gerhard sluit zijn ogen. Hij mag het uitvoeren. Als eenmansbureau. Voor onmogelijke operaties.
Want het is allemaal flinterdun. Het staat of valt met de aanname dat de kidnapping in Keulen inderdaad een actie is van de Staüberle-Konopka-groep. Maar hoe waarschijnlijk is dat? Hij heeft nauwelijks iets gezien dat erop wijst dat ze actief zijn in het westen. Het meisje heeft verklaard over een verband met het Roodfront. Dat is zeker. Maar het is natuurlijk goed mogelijk dat ze fantaseerde. De jongen is een drugsrunner. En hun hele onderneming was te belachelijk voor woorden.
Toch weet hij intuïtief dat er een verband is. Maar is het ook bruikbaar? Het draait allemaal om de vraag wat voor vlees hij in de kuip heeft. Als dit echt mensen zijn die contact hebben met het Roodfront, zijn het dan ook mensen die in staat zijn een infiltratie uit te voeren? Zijn ze in staat de groep aan te sturen? Allemaal onzekerheden. En onzekerheden over onzekerheden.


zondag 25 september 2022

77. Terugreis

[Wat voorafging]

Gerhard knippert met zijn ogen. Plotseling zijn door het bonken van de trein heen meer beelden uit die tijd tot leven gekomen. Het onafzienbare kerkhof van ruïnes om de restanten van de Dom. Het kerkorgel, verweesd in het vernielde interieur. De stalen spoorbrug, de beroemde Hohenzollernbrug, roemloos verzopen in het water van de Rijn.
En later de tanks, de jeeps, de vrachtauto’s van de Amerikanen.
De eindeloze stoet terugkerende vluchtelingen.
De wanhoop. De woede. De verbittering. De haat. De schaamte.
De tranen.
Maar Bödel was Bödel, zei hij. Geen nazi. Niet eens een meeloper. Gewoon een schurk. Iemand die Konrad Adenauer kende, en die carrière maakte toen die, na de oorlog, door de Amerikanen werd aangesteld als burgemeester van Keulen. Bödel was een politieman. Net als hijzelf.
En zijn toenmalige vrouw? Petra?
Hij zweeg.
‘Scheisse, was?’ zei ze.
Dat was een van de laatste keren dat hij Irmgard Konopka had gezien. Toevallig of niet, maar het was drie jaar geleden, in het najaar van ‘67, in dezelfde tijd dat Magda hem had verlaten. En kort voordat Konopka en Stuhl uit elkaar gingen. Dat hoorde hij via de Tagesschau. Het lange Noord-Duitse, altijd licht verontwaardigde gezicht van Stuhl, die een verklaring voorlas. En een foto van haar.
‘Wij zijn niet zo preuts,’ zei ze ooit tegen hem.
‘Wij?’
‘Wij progressieven, Hündchen.’
Hij lachte smalend.
‘Maar maak je geen zorgen,’ ging ze verder. ‘Om progressief te zijn, hebben progressieven de behoudenden hard nodig.’
‘En ik hoor bij de behoudenden?’
‘Jij, Hündchen, jij bent behoudend. Je bent de behoudendheid zelf. Compleet met het zure luchtje dat bij de behoudendheid hoort.’
Ze hield van zijn lichaamsgeur, denkt hij.
De gedachte bezorgt hem onmiddellijk een erectie.


zaterdag 24 september 2022

76. Terugreis

[Wat voorafging]

Na hun eerste ontmoeting op Sylt was Irmgard Konopka nog maar één keer over Bödel begonnen. Gerhard was onmiddellijk op zijn hoede. Ja, Klaus Bödel. Inderdaad, dat was zijn chef. O ja, al lang voordat hij naar Hamburg kwam. Ja, die had carrière gemaakt. President van het Kriminalamt. Maar dat wist ze. Een grote meneer. Ze was bij die gelegenheid niet begonnen over Sectie Vier. Terwijl daar in verband met Bödel natuurlijk wel het een of ander over te zeggen viel. Om een of andere reden waren ze in een ommezien afgedwaald in de krochten van de geschiedenis. Met Bödel had hij een lange geschiedenis. Eigenlijk ging dat helemaal terug tot ‘37. Toen hijzelf, vers van de handelsschool, werd aangenomen bij het Bureau Midden van de Keulse Schutzpolizei. Een wonder, in die jaren. Een baan ja. Natuurlijk, zei hij, het begon beter te gaan. Maar de banen lagen echt niet voor het opscheppen. Acht jaar ouder was Bödel. Hoofd van de Recherche? Nee, dat werd hij pas later. Na de oorlog. Nou ja, een keiharde politieman, Bödel. Iemand die zich, net als hijzelf, had opgewerkt uit de buitendienst. Een slecht mens? Natuurlijk. Zoals iedereen. Maar geen nazi. Of nou ja, geen idee. Je praatte daar niet over. Dat wist zij toch ook wel. En sowieso, je praatte niet over meerderen. Je praatte eigenlijk helemaal niet over politiek. Je liep je rondjes, en je hield je bek dicht. Feind hört mit, nietwaar? Nee, politiewerk. Alleen politiewerk. Surveilleren, processen verbaal. Het verkeer regelen. Soms een boef oppakken. Je deed je best, en je was blij als je een compliment kreeg.
‘Moeilijke jaren,’ zei ze peilend.
Ja, moeilijke jaren, knikte hij. Vooral vanaf ‘42, bij de steeds frequentere en steeds catastrofalere bombardementen van de geallieerden. Ja raar, maar in zekere zin was die hele oorlogstijd aan hem voorbij gegaan. Het enige wat er van over was, flarden van beelden. Zoals? Een ouderwetse autobus vol soldaten. Een plein met duiven, waar ook kinderen speelden. Een tram op de Hohenzollernring. De weidse overkoepeling van het Centraal Station. Aan het eind van de oorlog lag negentig procent van de stad in puin, wist ze dat? Van de 1.000.000 inwoners waren er nog maar zo’n 100.000 over. Doden? Niets dan doden. Doden in huizen, doden op straten, doden in het water. In een appartementengebouw dat onder een voltreffer van een vijfhonderdponder als een rijpe meloen uit elkaar was gebarsten.
En de stank.
‘Am deutschen Wesen soll die Welt genesen,’ zei ze daarop. Grimmig.


vrijdag 23 september 2022

75. Terugreis

[Wat voorafging]

De volgende ochtend gaat Gerhard onmiddellijk na het ontbijt naar de bank, om de nummerrekening te controleren. Die is geopend, maar er staat nog geen geld op. Hij wandelt naar het station en koopt een kaartje naar Bonn. De reis duurt lang. De trein bonkt en schudt. Het landschap, onder een miezerige herfstregen, schuift onwillig voorbij. Hij kan niet goed denken. Hij heeft natuurlijk al veel te veel gedacht. Die nacht in zijn hotelkamer heeft hij nauwelijks een oog dichtgedaan. Het was waarschijnlijk omdat Bödel over haar was begonnen, maar zodra hij in bed lag kwam Irmgard Konopka zijn gedachten bezetten. Destijds, in ‘65, was ze een paar keer begonnen over de clandestiene operaties van sectie 4. Zowel op Sylt als later, toen ze hem versierd had in de villa in Blankenese.
Na de seks in Blankenese had Irmgard Konopka het contact niet beëindigd. Een vaste relatie was het nooit geworden. Hun verhouding bestond uit incidentele ontmoetingen, die nooit van hem uitgingen, maar altijd van haar. Als ze zin in hem had, denkt hij. Dan belde ze hem. Gewoon op zijn werk. Altijd heel kortaf. Ze zei nooit wie ze was. Alleen een plaats en een tijdstip. In het begin belde ze vaak. In de eerste weken na Blankenese vier keer. Daarna met grotere tussenpozen, soms drie weken, soms vier, vijf of zelfs zes. Eén keer gingen er drie maanden voorbij, waarin hij alleen in de aan haar verslaafde pers zo nu en dan een glimp van haar bestaan opving.
Als ze elkaar ontmoetten, was dat in openbare gelegenheden. Horeca. Een café, een lunchroom, soms een cafetaria, of een Italiaans of Chinees restaurant. Ze dronken wat, soms aten ze samen. Soms gingen ze daarna wandelen. Als haar hoofd daarnaar stond. Aan de Wallgraben, tussen de bloembedden. Of een enkele keer in de Hortus Botanicus, ver weg, voorbij Altona. Of in het Jenischpark, waar hij haar een keer neukte in een soort blokhut, op een van de ruwhouten banken die langs de kant waren gespijkerd. Amicis et quieti, stond er op de ingang. ‘Gewijd aan vrienden en rust,’ had ze vertaald. Echt Duits. Op de deurpost stond een grote 5, die ze niet kon verklaren. Eén keer, in de zomer van ‘66, neukten ze achter een meertje, tussen hoog opstaande moerasspirea, met haar plastic regenjas onder hen. Soms in een hotel, of in een motel, ergens langs een snelweg. Een enkele keer gingen ze naar de villa, waar nooit iemand thuis leek te zijn. En waar ze, onmiddellijk als ze binnenkwamen, naar de slaapkamer liep, en een plaat opzette. Als ze geneukt hadden, bovenop het grote bed met de donkergroene sprei, bleven ze naar de muziek liggen luisteren. Wagner. Of Mahler. Of vreemde expressionistische muziek, die je door merg en been ging. Zij was het die hem van Alban Berg had leren houden.
Handelde Konopka in opdracht? Nee, dacht Gerhard. In ieder geval niet meer op dat tijdstip. Misschien wisten haar bazen inmiddels wat ze weten wilden. Maar misschien had ze het ook helemaal nooit in opdracht gedaan. Ze was als puntje bij het paaltje kwam totaal ondoorgrondelijk.

donderdag 22 september 2022

74. Kneipe

[Wat voorafging]

Bödel haalt uit de zak van zijn colbertjasje een notitieblokje tevoorschijn en maakt een paar aantekeningen. ‘En dat meisje? En die jongen?’
‘Ze zijn in voorlopige hechtenis genomen.’
‘Prima, prima. Daar kun je mee aan de slag. Ik zorg dat je kunt beschikken over alle faciliteiten. Morgenochtend. Het eerste wat ik doe. Ga eerst naar de Veiligheidsdienst. Verdiep je in de achtergronden. Daarna kun je die twee onder handen nemen, en kijken waar je dat brengt.’
‘Hoe ver ga ik?’
‘Zo ver als nodig is.’
‘En Fischler? Ik weet niet of…’
Een handgebaar. Fischler doet niet ter zake. Die kan een telefoontje van Bödel tegemoet zien. Fischler zal hem geen strobreed in de weg leggen.
Ze maken afspraken over telefonisch contact. Bödel geeft Gerhard een visitekaartje, met daarop het telefoonnummer waar hij rechtstreeks bereikbaar is. ‘Zodat je niet steeds langs het secretariaat hoeft,’ zegt hij. ‘En o wacht, kun je over geld beschikken?’
Gerhard kijkt hem niet begrijpend aan.
‘Ik neem aan van niet, he? Weet je wat, we doen dat net als vroeger.’
Hij bladert even in zijn notitieboekje en schrijft twee series cijfers op. ‘Nummerrekening,’ zegt hij, terwijl hij hem het papiertje overhandigt. ‘Je weet hoe het werkt.’
Verder worden er niet veel woorden vuilgemaakt.
Bödel kijkt hem nog eens onderzoekend aan en staat op.
Hij geeft hem een hand en is vertrokken.
De sigaar ligt te smeulen in de asbak.

woensdag 21 september 2022

73. Kneipe

[Wat voorafging]

Het dessert komt. En daarna koffie met cognac. Bödel praat nog wat door. Over de politieke situatie. Brandts Oostpolitiek. De problemen waar het Kriminalamt mee worstelt. De tegenwerking vanuit de Bondslanden. De neiging tot alleingang van plaatselijke rechercheafdelingen. Gerhard luistert niet. Hij denkt koortsachtig na. De extremisten van wapens voorzien. Ze sturen. Is dat mogelijk? Het komt neer op infiltratie. Iemand in de Staüberle-Konopka-groep parachuteren die in staat is invloed uit te oefenen. Maar wie? Hoe? Hij denkt aan het gesprek dat hij heeft gevoerd met Klug. De Berlijnse infiltratiepogingen, die mislukt zijn. Omdat er gebruik is gemaakt van min of meer professionele infiltranten. Moet hij naar Berlijn en die hele treurige weg opnieuw bewandelen? Moet hij proberen iemand in de groep te droppen die Staüberle kan helpen een volkswagenbusje om te bouwen tot een helikopter? Maar waarvoor? Om Lösch uit de gevangenis te halen? Uitzichtloos.
Of het moet zijn…
Bödel keuvelt op zijn gemak door. Hij heeft een sigaar opgestoken en draait het ding met welbehagen onder zijn neus terwijl de woorden hem over de lippen vloeien.
‘Er is iets voorgevallen in Keulen,’ zegt Gerhard plompverloren.
Bödel zwijgt en kijkt hem aan.
‘Gisteren,’ gaat hij verder. ‘Een rare geschiedenis, iets met een kidnapping. Ik zag het vanmorgen in de post. Een knaap die samen met een meisje een poging heeft gedaan om een jongetje te kidnappen. De bedoeling was dat ze het zoontje zouden ontvoeren van Charlene Parker, je weet wel, die Amerikaanse zangeres. Maar het draaide erop uit dat ze aan de wandel gingen met het zoontje van haar kapster. ‘
Bödel legt zijn sigaar op de asbak. ‘Ja?’
‘Ze zijn opgepakt. En het meisje heeft verklaard over Irmgard Konopka.’
‘Over Konopka?’
‘Het is allemaal nogal vaag, maar in Keulen denken ze dat die kidnapping is uitgevoerd in opdracht van de Staüberle-Konopka-groep. Het idee zou zijn om de vrijlating te eisen van Hermann Lösch, je weet wel, die vorige week gearresteerd is.’
‘Aha,’ zegt Bödel, ‘dat is interessant, he?’
‘Maar onwaarschijnlijk.’
‘Vind je?’
‘Ik weet het niet. Ik zou me erin moeten verdiepen.’
‘Ja, doe dat,’ zegt Bödel. ‘Doe dat maar.’
‘Met alle kans dat het loos alarm blijkt te zijn.’ Gerhard heeft plotseling spijt van zijn inval. Maar Bödel blijft hem aankijken.
‘Het dossier ligt bij Kaminsky,’ sputtert hij nog tegen.
‘Kaminsky?’
‘Die houd zich bij ons bezig met het Roodfront.’
‘Nee, nee, die halen we er vanaf.’
‘Het is sowieso een ingewikkelde geschiedenis. Het is in handen van de Binnenlandse Veiligheidsdienst.’


dinsdag 20 september 2022

72. Kneipe

[Wat voorafging]

Bödel veegt zijn mond af. ‘We scheiden de bokken van de schapen,’ zegt hij. ‘En dan pakken we ze op. We geven ze een eerlijk proces, en ze verdwijnen achter de tralies. En de mensen weten weer waar ze aan toe zijn.’
Hij wijst naar hem met zijn vork.
Gerhard knijpt zijn ogen samen. ‘Sectie Vier!’ zegt hij.
Maar die gedachte veegt Bödel onmiddellijk van tafel. ’Nee, nee,’ zegt hij. ‘Dat soort clandestiene operaties is verleden tijd. Dat weet je. Dat was al jaren geleden niet meer in het vat te gieten. Plus dat de bezettingsmachten het niet tolereren. Sectie Vier is opgeheven. Geïntegreerd in de koepel van de Verfassungsschutz. Opgenomen in het systeem, zal ik maar zeggen. Verbureaucratiseerd.’
‘Het wordt dus een operatie van de Sicherungsgruppe.’
Bödel lacht. Nee, nee, de Sicherungsgruppe leent zich hier niet voor. Die is ingesteld met een heel ander doel.
‘En dus?’
‘Het ziet er naar uit dat je er min of meer alleen voorstaat,’ zegt Bödel. ‘Maar je krijgt natuurlijk alle steun.’
Gerhard kijkt op zijn bord, waar de schnitzel alleen aan de rand besneden is.
‘Van het BKA?’ zegt hij sarcastisch.
Maar Bödel wuift alle bezwaren weg. BKA en Verfassungsschutz, dat werkt vlekkeloos samen, zegt hij. Daar zit geen licht tussen. De wapens voor de extremisten? Geen probleem. Die functie is overgeheveld naar de Bundeswehr, maar Bödel belooft hem het telefoonnummer van een kapitein die alle wapens kan leveren die hij maar wil. ‘Tot pantserwagens toe,’ zegt hij.
Dus.


maandag 19 september 2022

71. Kneipe

[Wat voorafging]

‘Maar nu even in ernst,’ zegt Bödel, ‘wat gaan we eraan doen?’
‘Waaraan?’
‘Aan de terroristische dreiging.’
‘Ik heb je al gezegd, er is geen terroristische dreiging.’
‘Het zijn kinderen.’
‘Ja.’
‘Ja,’ zegt Bödel. ‘Maar er zijn er die zeggen, dat is nou juist het probleem.’
‘He?’
‘Het probleem is dat we het probleem onderschatten.’
‘Maar net zei je…’
Er worden twee enorme schnitzels op tafel gezet. Salade. Patat frites.
‘We onderschatten het probleem, ‘vervolgt Bödel. ‘En waarom is dat?’
Gerhard zwijgt.
‘Dat is omdat ze er zo weinig van terecht brengen.’
Gerhard zwijgt.
Bödel knikt, en valt aan op zijn schnitzel. ‘We lachen erom,’ zegt hij met volle mond. ‘We zeggen, er is geen terroristische dreiging. Maar ondertussen knagen ze. Ze knagen aan de wortels, weet je. Ze knagen aan het wortelstelsel van de samenleving. En ik vraag je nog een keer.’ Hij wijst naar Gerhard met zijn vork. ‘Wat doen we er aan?’
Gerhard is perplex. Het wortelstelsel van de samenleving. Zegt de man die die middag nog zei dat er niet zoiets als een samenleving bestaat. Maar Bödel koerst onvervaard verder. Een sluipend kwaad zegt hij. Een kwaad dat bijna niet te bestrijden is. Zolang het niet verhelderd wordt. Zolang het niet aan het daglicht wordt gebracht.
Terwijl hij zich met grote, gulzige happen door zijn schnitzel werkt, beginnen zich de contouren af te tekenen van wat hij wil zeggen. Het is nodig de zaak op scherp te stellen, meent Bödel. De extremisten een handje te helpen Ze te voorzien van wapens. En van logistieke ondersteuning. Ze moeten in staat worden gesteld harder en effectiever toe te slaan. Meer schade te veroorzaken. De maatschappelijke onrust moet worden aangewakkerd.
‘En dan?’



zondag 18 september 2022

70. Kneipe

[Wat voorafging]

Bödel zwijgt even.
‘En het Roodfront?’ vraag hij dan.
Gerhard haalt de schouders op.
‘De Staüberle-Konopka-bende.’
‘Dat is een bedenksel van de Bildzeitung,’ zegt Gerhard.
‘Hoeveel zijn het er eigenlijk?’
‘Er zijn er een stuk of negen die we in het vizier hebben,’ zegt Gerhard onwillig. ‘Staüberle natuurlijk, Eva Richter. Konopka. En dan nog wat types die met hen in verband zijn te brengen.’ Hij aarzelt even, en kijkt Bödel vragend aan. Maar die knikt aanmoedigend. Hij telde ze af op zijn vingers. ‘Raabe en zijn vriendin. Bauschwitz. Schöngeist… Van de coterie van Lösch zijn er geloof ik nog twee op vrije voeten. En dan de namen die we nog niet kennen. Vijf of zes misschien. En dan heb je de sympathisanten natuurlijk.’ Hij haalt de schouders op. ‘Het is moeilijk om zo’n beweging precies in beeld te krijgen. Voor zover je van een beweging kunt spreken natuurlijk.’
‘Die Staüberle is een crimineel, dacht ik,’ zegt Bödel.
‘Een kunstenaar,’ zegt Gerhard voorzichtig.
‘Met die Eva Richter die een domineesdochter is. Een raar stel.’ Bödel aarzelt even en tast met een vinger in het schaaltje met zwarte olijven dat Heinz op hun tafel heeft gezet. ‘Maar de grote blinde vlek in het geheel, dat is natuurlijk Irmgard Konopka.’
Gerhard zwijgt behoedzaam.
‘Ken je haar?’
Hij maakt een onbestemd geluid.
‘Het gekke is dat ik zelf haar vrij goed ken,’ gaat Bödel verder. ‘Persoonlijk, bedoel ik. Uit de tijd dat ze nog met Stuhl was.’
‘Met Stuhl?’ 
‘De uitgever van dat tijdschrift, Gerade Nun. Ik ken hem uit het bestuur van de jeugdhulpverlening in Hamburg. Irmgard was daar ook actief. Je weet misschien dat ze die film heeft gemaakt?’
Gerhard knikt.
‘Nogal ideologisch allemaal. Dat is ook niet zo goed gevallen. Maar wel heel betrokken…’
Hij zwijgt even.
‘Een begaafde vrouw, Irmgard Konopka, dat lijdt geen twijfel. Bevlogen, dat is het woord.’ Hij knikt bedachtzaam. ‘Niet onsympathiek, hoor. Je vraagt je af wat zo’n vrouw bezielt om zich in de illegaliteit te storten. Ze had een reputatie weet je. En echte invloed. Ze moet toch begrepen hebben dat ze in een legale positie haar, laten we zeggen haar idealen, veel beter kon dienen…’
Hij knikt opnieuw en maakt ruimte zodat Heinz de soep op tafel kan zetten.
Een tijdlang zwijgen ze, terwijl ze de soep naar binnen lepelen. Bödel eet gulzig, met ver uitstulpende vochtige lippen. Gerhard constateert niet zonder genoegen dat hij kleine knorgeluidjes maakt als hij voedsel tot zich neemt. Als Bödel klaar is, leunt hij achterover en depte zijn lippen met zijn servet. ‘Er zijn er die zeggen dat ze gedwongen werd,’ zei hij.
‘Stuhl is een communist,’ zei Gerhard.
Bödel haalde zijn schouders op. ‘Ja, ja, en de DDR subsidieert zijn tijdschrift. Zo is het nu eenmaal tussen onze Bondsrepubliek en die daar in het oosten. In zekere zin zijn we een Siamese tweeling, weet je, niet van elkaar los te denken. Maar Stuhl is een goeie vent. Iemand met een hart. En dat tijdschrift van hem, sommigen zeggen dat het voorziet in een behoefte. Het kanaliseert gevoelens.’
Hij grinnikt.
Heinz haalt de soepborden af.
‘Weet je nog dat ze in ‘67 in de financiële problemen zaten?’ gaat Bödel verder. ‘Ze gaven obligaties uit, die je kon kopen om ze te steunen. Ik heb nog een kleine portefeuille ergens in een kast liggen. Vijfhonderd mark, geloof ik.’ Hij leunt achterover.


zaterdag 17 september 2022

69. Kneipe

[Wat voorafging]

Bödels secretariaat heeft voor Gerhard een hotel geregeld, en voor het eten is er gereserveerd in een Kneipe in het centrum, een bistro. Als hij er stipt om half zeven aankomt, zit Bödel al op hem te wachten. ‘Echt Duits,’ zegt hij, terwijl Gerhard aan tafel schuift. Vrijwel onmiddellijk staat er een kelner naast hen. Waarschijnlijk iemand van het BKA.
‘We beginnen met soep,’ zegt Bödel. ‘En dan zou ik een schnitzel aanbevelen, die zijn uit de kunst hier. En een dessert, zullen we gelijk een dessert bestellen? Ze hebben hier dame blanche, ken je dat? Frans, maar echt top.’
Gerhard stemt in en Bödel knikt naar de kelner. ‘In orde Heinz,’ zegt hij. ‘Zet je beste beentje voor. Deze gast is speciaal.’ 
Klaus Bödel kent de kneepjes van het vak. Hij buigt zich over de tafel en tilt de fles witte wijn uit de koelemmer. Werpt een blik op het etiket, en laat het aan Gerhard zien. Die knikt.
‘Het zijn rare tijden, Emmerich,’ zegt Bödel.
‘Rare tijden?’
‘Het ene moment denk je zus. En het volgende moment blijkt het ineens zo te zijn.’
‘O.’
‘Vrijheid en democratie,’ zegt Bödel. ‘Daar draait alles om. Dat is de essentie van de liberale rechtsstaat. Maar om van vrijheid en democratie te kunnen genieten, moeten we het terrorisme bestrijden.’ Hij schenkt in. ‘Hoe staat het met het terrorisme?’ zegt hij. ‘Hoe staat het met de terroristische dreiging?’
Gerhard kijkt de man tegenover hem aan. Peilend. ‘Er is geen terroristische dreiging,’ zegt hij.
‘Nou, nou…’ Bödel leunt achterover, en kijkt met welbehagen naar het dons van condens dat zich op zijn wijnglas vormt. ‘Dat kun je niet zomaar zeggen,’ zegt hij. ‘De wereld verlangt naar terroristen. En de wereld mag zijn verlangens koesteren.’
‘Ach…’
‘Zoveel ze maar wil.’
‘Mmm,’ zegt Gerhard.
‘Jij denkt daar anders over.’
‘Het zijn onnozele halzen, Klaus. Het zijn kinderen. Ze spelen spelletjes.’
‘We zijn allemaal kinderen, we spelen allemaal spelletjes. Maar we zitten aan touwtjes. We spelen de spelletjes die we moeten spelen.’ Bödel denkt hij daar even over na. Dan kijkt hij op en grinnikt. ‘Hoe dan ook, genoeg jongelui die niet zo gelukkig zijn met ons democratisch bestel, he. Je vraagt je af, wat is dat toch? Het is of de welvaart ze op de longen is geslagen, Emmerich. Een hoestbui waar geen einde aan komt.’ Hij neemt bedachtzaam een slokje wijn. ‘Weet je nog die student die is neergeschoten, een paar jaar geleden, die Ohnesorg?’
Gerhard knikt. ‘Daar zat de DDR achter,’ zegt hij.
‘De DDR?’
‘De agent die die jongen heeft neergeschoten…’
Maar dat wuift Bödel weg. ‘Daar gaat het niet om,’ zegt hij. ‘Het gaat om die demonstratie. Weet je nog waar ze tegen demonstreerden? Tegen de sjah. Je gelooft het niet. Tegen de sjah van Perzië. Een Duitse jongen die zich laat neerknallen uit protest tegen het gebrek aan democratie in een of ander achterafland. En in het eigen land willen ze van de democratie af. Ze weten gewoon niet wat ze willen.’
‘Ze zijn ontevreden.’
‘Ze zijn ontevreden,’ knikt Bödel. ‘Hoe beter ze het hebben, hoe zekerder ze zijn dat het niet goed gaat. Hoe het was, interesseert ze niet. En hoe ingewikkeld het allemaal is, daar hebben ze geen flauw idee van.’




vrijdag 16 september 2022

68. Wiesbaden

[Wat voorafging]

Bödel pakt een sigaar uit een glas met rookwaar dat op de tafel staat. Hij rolt de sigaar om en om in zijn vingers, ruikt er aan, en zet hem weer terug. ‘De extremisten, Emmerich, dat wordt big business. Groter dan de geheime diensten.’ Hij grinnikt. ‘Zelfs groter dan de drugshandel,’ gaat hij verder. ‘Hoewel niet veel groter misschien.’
Zijn hand pakt het boekje op dat op de tafel ligt. ‘Leibnitz,’ zegt hij, ‘ken je die? Leibnitz meende dat we in de beste van alle denkbare werelden leven. Dat geeft wel te denken he? Als hij gelijk heeft, moeten we ons afvragen of onze pogingen om de wereld te verbeteren niet per definitie tot een averechts resultaat moeten leiden.’
Gerhard kijkt hem aandachtig aan.
‘Tenzij je er natuurlijk van uitgaat dat onze pogingen om de wereld te verbeteren zelf deel uitmaken van deze beste van alle denkbare werelden. Als je begrijpt wat ik bedoel.’ Hij lacht stilletjes, en overweegt kennelijk wat hij gezegd heeft. ‘Weet je, Emmerich,’ gaat hij verder, ‘eigenlijk bestaat er niet zoiets als een samenleving. Het is belangrijk dat je dat inziet, vooral in de waan van onze tijd, in het gebrabbel dat je overal om je heen hoort over sociaal dit en sociaal dat. Een samenleving bestaat niet. Er zijn alleen individuen, afzonderlijke personen, die ieder voor zich hun voordeel zoeken, tegen zo laag mogelijke kosten, en met zo weinig mogelijk inspanning.’ Hij knikt tevreden. ‘En zo ontstaat vanzelf de beste van alle denkbare werelden.’
‘Je bent een filosoof geworden,’ zegt Gerhard.
‘Vrijheid en democratie,’ zegt Bödel. ‘Ik wil daar bij aantekenen dat naar mijn mening de beste van alle denkbare werelden welbeschouwd een tamelijk schunnige zaak is. Prosit.’
‘Prosit,’ zegt Gerhard gehoorzaam.
Bödel neemt een slok van zijn whisky. ‘Maar wat kan het verdommen,’ zegt hij. ‘Het gaat er uiteindelijk gewoon om voor je zaakjes te zorgen. Je moet zorgen dat je te vreten hebt, te drinken. Een dak boven je hoofd. En iets te naaien natuurlijk.’
Gerhard draait het glas in zijn handen en zegt niets.
‘De wereld volgens Bödel,’ besluit Bödel joviaal.
Hij kijkt op zijn horloge.
‘Maar we moeten rustig de tijd nemen om dit te bespreken. Kun je in Wiesbaden blijven? Dan eten we vanavond samen.’

*
Als Gerhard is vertrokken, belt Bödel. Onmiddellijk komt Pressler binnen, met een stapel dossiers. De secretaris kijkt hem leep aan. ‘Was het wat?’
Bödel trekt een scheve mond. ‘Dat staat te bezien,’ zegt hij zuinig.
‘Wil je hier nog naar kijken?’ zegt Pressler, terwijl hij de dossiers presenteert.
Maar Bödel wimpelt dat af. ‘Nee, nu niet,’ zegt hij.
‘Maar…’ begint Pressler.
‘Dat komt morgen wel. Eerst Emmerich Gerhard. Vanavond ga ik met hem eten. Is alles geregeld?’
Pressler knikt.
‘Je houdt je hart vast,’ zegt Bödel.

donderdag 15 september 2022

67. Wiesbaden

[Wat voorafging]

Op de tafel ligt een elegant boekje, Staat der Freiheit: Zur politischen Philosophie Spinozas.
‘Je hebt het ver geschopt Klaus.’
‘Ben je hier nog niet eerder geweest?’
‘Hoog,’ gaat Gerhard verder.
‘De twintigste. Hierboven is alleen lucht.’
Gerhard tuit zijn lippen. Sceptisch.
‘De zuivere lucht van de politiek,’ grinnikt Bödel. Hij laat zich zwaar in een van de fauteuils zakken. ‘U vraagt, wij draaien,’ zegt hij. ‘Hoe bevalt het je in Bonn? Mooie stad. Lieflijk. Vooral in deze tijd van het jaar. Gek eigenlijk: de regeringshoofdstad, en in grote delen van de stad merk je er nauwelijks iets van.’ 
Hij proost en drinkt van zijn whisky. ‘Behalve dan dat het er is vergeven van de agenten van alle geheime diensten van de wereld. Maar dat is jouw zorg niet. Of wel?’
‘We hebben er geen last van.’
‘Jullie zitten rustig op je krent en studeren op de extremisten,’ zegt Bödel. ‘Hoe is Fischler? Een bekwame vent. Wel politiek natuurlijk. Dat hoort er bij. En geen politieachtergrond. Maar dat heeft hij ook niet nodig. Hij doet, nou ja, de externe contacten.’
‘Juist,’ zegt Gerhard.
‘En jij?’
‘Ik doe niets.’
Bödel barst in lachen uit, een aanstekelijk gelach.
‘Het is nog niet allemaal op volle toeren,’ zegt hij.
‘Ik vind het een vreemde zaak,’ zegt Gerhard.
‘Oké,’ zegt Bödel, ‘dat is het ook. Je dacht, ik wed dat je dacht dat je op een zijspoor bent gezet.’
‘Is dat dan niet zo?’
‘Is dat dan niet zo?’ echoot Bödel. ‘Jij?’

woensdag 14 september 2022

66. Wiesbaden

[Wat voorafging]

Bödels kantoor is, tja, weids is het woord. Een hoog systeemplafond met verzonken lichten. Veel glanzend zwart en allerlei tinten grijs. Links van de ingang, onder een portret van de Bondspresident, staat een immens bureau. Glad en koel. Zonder papieren op het bureaublad. Aan de andere kant een metershoge glaswand, met zwarte sluiergordijnen, en uitzicht op de stad. En daarvoor zwaarlederen banken om een glazen tafel.
De ontvangst is joviaal. Bödel haalt Gerhard persoonlijk van de receptie. Een grote, struise man, met een dikke bos weerbarstig haar, dat inmiddels van grijs bijna wit is geworden.
‘Emmerich, Alter!’
Een knikje naar de receptioniste. Bedankt. En dan naar een lift met veel chroom en spiegelend zwart glas. Tijdens de geluidloze reis naar boven zwijgt Bödel. Hij neemt hem op via de spiegel in de liftwand. Gerhard houdt de handen verborgen in de zakken van zijn regenjas.
‘Pressler he?’ zegt hij behoedzaam.
‘Ja, ja,’ zegt Bödel. ‘Otto Pressler. Mijn secretaris. Een bekwame vent. Ken je hem?’
Gerhard knikt vaag.
In het kantoor gaat Bödel hem voor naar de fauteuils.
Gerhard gaat zitten.
‘Wat drink je?’ Een vragende blik. Gerhard knikt.
Bödel schenkt hem whisky in. Voegt ijs toe.

dinsdag 13 september 2022

65. Wiesbaden

[Wat voorafging]

Om elf uur staat Gerhard op het station te wachten op de sneltrein naar Wiesbaden. Op de perrons krioelt het van mooie jonge vrouwen. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Godverdomme.
Precies op de juiste tijd stormt de trein met veel poeha het perron op en er ontstaat het gebruikelijke Duitse geduw en getrek van uitstappende en instappende passagiers. In zijn eersteklascoupé is het rustig. Gerhard kijkt nors de krant door die hij in de stationshal gekocht heeft. Veel belangrijk nieuws is er niet. Een opiniestuk van Egon Bahr, de SPD-politicus, een halfjood, die de gemachtigde is van de Bondsrepubliek in Berlijn. Bahr is adviseur van Willy Brandt, en onderhandelt namens de regering over Brandts nieuwe Oostpolitiek. Hij leest het artikel door. De bekende mix. De status van Berlijn. Vrijheid! Democratie! Over krioelende jonge vrouwen heeft Bahr niets te melden, al is dat ongetwijfeld een onderwerp waar hij net zo goed in thuis is als welke Polizeikommissar ook.
Op een van de andere pagina’s staat een stuk waarin wordt gespeculeerd over Brandts binnenlandse politiek. Dat er vroeger of later een aanslag op de bondskanselier zal plaatsvinden staat voor de auteur vast. De vraag is alleen of de kogel van links gaat komen of van rechts. Gerhard lacht smalend en vouwt de krant zorgvuldig op voor hij hem in de prullenbak deponeert.
Hij leunt stram achterover en vangt een blik op van zichzelf in het coupéraam. Met zijn lange rug en zijn strakke, al een beetje perkamentachtige, Duitse gezicht, ziet hij eruit als een Wehrmacht-officier in burger, denkt hij. Absurd natuurlijk. Een militair is hij nooit geweest. Wat je ziet is het plichtsbesef, de discipline, die ook in zijn vak de rigueur zijn. De geilheid.
De trein ratelt en knarst terwijl hij zich over bundels wissels wringt. Om één uur rijden ze het station van Flughafen Frankfurt op, waar de aansluitende trein naar Wiesbaden met de kenmerkende Pünktlichkeit van de Bundesbahn zeven minuten later vertrekt. Om half drie zijn ze in Wiesbaden. De paar kilometer van het station naar de Tränkweg legt hij wandelend af.


maandag 12 september 2022

64. Wiesbaden

[Wat voorafging]

Die maandag is Gerhard zoals iedere dag vroeg op kantoor. Hij opent, zet het koffieapparaat aan en haalt de stapel dienstberichten uit de postkamer. In zijn kantoor neemt hij de rapporten vluchtig door. Het enige wat zijn aandacht trekt is een bericht van de Verfassungsschutz over een poging tot kidnapping in Keulen. Een jongen en een meisje. Het beoogde slachtoffer was het kind van een Amerikaanse zangeres, maar de kidnapper, een of andere onbenullige drugsrunner, heeft per vergissing het verkeerde kind meegenomen. Het meisje heeft een verklaring afgelegd die kan wijzen op een politiek motief. Ze heeft het Roodfront genoemd. En Irmgard Konopka. Maar dat lijkt Gerhard sterk. Irmgard Konopka, zolang spoorloos en nu zou ze opduiken omdat ze betrokken is bij een ontvoeringszaak? Er zijn geen berichten dat de Roodfrontgroep in het westen actief is. Aan de andere kant, je hebt dat bericht van Hahn over Berlijnse subversieven in Hannover. Maar dat is niet meer dan een gerucht. Gerhard aarzelt een ogenblik, maar dan slaat hij de map dicht en legt hem op de stapel.
Bij het werkoverleg slaat hij, zoals steeds als hij de leiding heeft, het verslagrondje over. Hij geeft de irrelevante rapporten aan Gerda Pfau om te archiveren. Het rapport over het incident in Keulen schuift hij zonder hem aan te kijken naar Kaminsky, die weer is komen opdagen. Wat er overblijft verdeelt hij tussen Kaminsky, Weiss en Hahn.
‘Neemt u zelf niets?’ zegt Hahn brutaal.
‘Ik moet weg,’ zeg hij kortaf.


zondag 11 september 2022

63. Wiesbaden

[Wat voorafging]

Na de briefing in Düsseldorf is Emmerich Gerhard vroeg thuis in zijn flat in Keulen, Raderthal. Hij haalt de post uit de brievenbus, hij bergt de boodschappen op die hij op weg naar huis heeft gedaan, en eet uit de oven. Later besteedt hij aandacht aan zijn conditie, door in een zeurderige motregen zijn gebruikelijke drie kilometer te lopen in de Äußere Grüngürtel, de groenvoorziening die aan Raderthal grenst en die het stadsdeel min of meer beschut tegen het kabaal en de kwade dampen van de Ringweg. Daarna doucht hij uitgebreid, hij schenkt zich een glas cognac in en haalt een pas gekochte box tevoorschijn met de platen van Alban Bergs Lulu. Een nieuwe uitvoering onder Pierre Boulez. Omslachtige, wezensvreemde muziek, vol van gevaarlijke verleidingen.
Halverwege de tweede kant rinkelt de telefoon. Gerhard loopt naar de draaitafel en draait de volumeknop uit voor hij de hoorn opneemt. Het is Wiesbaden, de Federale Recherche. Pressler, iemand die hij vaag meent te kennen. Bödel verwacht hem, zegt Pressler. Maandag om vier uur, in Wiesbaden.
Bödel!
Waar gaat het over? vraagt Gerhard.
Onbekend.
Heeft het met het bureau te maken? Moet hij stukken meenemen?
Maandag, herhaalt de man nors. Om vier uur. En hij beëindigt het gesprek. Gerhard tilt de naald van de plaat. Als hij het cognacglas van tafel wil pakken, grijpt hij mis, het glas breekt op de plavuizen. Hij kan zich er niet toe brengen de scherven op te ruimen en ijsbeert door de kamer. Tot hij zich realiseert dat hij zich gedraagt als een onrustige hond.

zaterdag 10 september 2022

62. Europahotel


[Wat voorafging]

Buiten de perskamer, in de lounge, besteedt ondertussen een forse jongeman van een jaar of twintig met een spijkerjack aandacht aan Danny Kleidermann. Hij spreekt het sterk geaspireerde Engels van een Duitstalige.
Yeah sure, he loves football.
His favourite team?
‘You don’t know it.’
‘Say!’
Hij lacht zuur. ’Rot Weiss Oberhausen… Did you ever hear of them?’
Teleurgesteld schudt het jongetje het hoofd.
‘Benfica,’ zegt hij. ‘Real Madrid.’
‘But this is Germany.’
‘Germany is shit.’
‘Scheisse,’ verbetert de jongeman. ’Ein Scheisshaufen. Just like this room. You can’t play football here, yes? Come along outside, I know a good place. Somewhat further. They have a goal, you know, painted on the wall. You shoot and I’ll be the goalkeeper. Okay?’
Het jongetje knikt, hij pakt zijn bal op en legt zijn hand in die van Schneider, die aanvoelt als de ruwe hand van een echte prof.
De twee verlaten het Europahotel via een zijdeur naar de parkeerplaats. Vandaar neemt Schneider het jongetje, dat zijn bal stijf onder zijn arm klemt, haastig mee de zijstraat in waar zijn BMW 2000 staat, met Hannah op de achterbank. Maar voor hij de auto zelfs maar in het vizier heeft, wordt hij op zijn schouders getikt door een man in een grijze regenjas, die hem een geplastificeerde kaart voorhoudt. ‘Verfassungsschutz,’ zegt hij. Binnenlandse veiligheidsdienst.
‘Veiligheidsdienst?’ zegt Schneider verward. ‘Wat is dat nou voor gelul?’
Onmiddellijk krijgt hij een harde klap in zijn gezicht, die zijn gedachten een ogenblik uitwist. Er duiken nog drie mannen op. Eén pakt het jongetje op en maakt zich met hem uit de voeten. De twee anderen nemen Schneider in een vakkundige houdgreep, en pakken hem zijn pistool af. Daarna wordt hij struikelend naar een effen witte Ford Transit geduwd, die langs de stoep geparkeerd staat.
In de Transit treft hij Hannah aan, die hem met handboeien om, met haar donkere ogen nat van de tranen aankijkt.
‘Fuck,’ zegt hij. ‘Fuck, fuck, fuck!’

vrijdag 9 september 2022

61. Europahotel


[Wat voorafging]

Tegen elf uur, bij het naderen van hun deadline, stijgt de spanning bij de WDR-medewerkers. Onduidelijke figuren hollen af en aan met de laatste berichten. Een voor­lichtster stapt op het podium en begint de pers nog eens van instructies te voorzien. Vinger opsteken, bitte, als men een vraag wil stellen. Pas praten als men de beurt krijgt. Het wachten duurt inmiddels al anderhalf uur.
Om elf uur precies komt ene Melanie naar voren en verontschuldigt zich, eerst in het Engels, daarna in gebroken Duits. La Parker is bij haar zoontje. Het kind heeft een virusinfectie opgelopen en heeft de hele nacht overgegeven. Nog vijf minuten geduld alstublieft. De vijf minuten worden er tien en vijftien. Melanie meldt zich opnieuw. De dokter is er nu bij, zei ze, en zodra die klaar is, zal Charlene haar opwachting maken. Bitte, bitte. Charlene is een hele plezierige, aanspreekbare jonge vrouw, pleit ze. Nog maar een ogenblik. Iedereen zal tevreden naar huis gaan.’
Gemor in het inmiddels stampvolle vertrek.
‘Maar wel onze deadline missen,’ gromt de floormanager van de tv-ploeg.
‘Misschien kunt u haar gewoon vragen waarom ze zo laat is,’ probeert Melanie. Maar daarna weet ze het echt niet meer, en blaast discreet de aftocht.
De tv-mensen bellen hun hoofdkwartier. ‘Vergeet het maar, ze is er nog steeds niet.’ Maar op hetzelfde moment ontstaat er beroering onder de meiden van de platenmaatschappij. ‘Daar komt ze!’ wordt er gesist. ‘Daar komt ze.’
En daar is ze.
Sorry dat ze zo laat is. Nee, met haar zoontje gaat het naar omstandigheden goed. Ze hoopt dat hij vanavond bij haar concert aanwezig kan zijn. Gedurende een paar minuten gunnen twee gazellenogen in het fragiele bruine gezicht elke fotograaf de blik waar hij al zo lang op wacht.
Welbespraakt is Miss Parker beslist. Jazeker ze vindt het een enorm compli­ment dat ze wordt vergeleken met Billy Holliday. Nee, zelf wil ze zich niet met de tragische blueskoningin vergelijken. Ja, het klopt dat ze, op deze eerste tournee als solozangeres, 65 mensen heeft meegenomen. 65. Welnee. In de US is dat heel gewoon. Als de dames en heren van de pers de show hadden gezien, zouden ze beslist begrijpen dat…
Terwijl ze praat, strekt ze af en toe haar rechterbeen en inspecteert haar paarsgelakte teennagels.


donderdag 8 september 2022

60. Europahotel

[Wat voorafging] 

Zondagmorgen 25 oktober. Het statige, quasi-classicistische Europahotel in Keulen ligt mokkend in een mantel van regen. De straat is uitgestorven. Alleen voor de ingang van het hotel is activiteit, waar busjes van de televisie schots en scheef op de stoep op het trottoir staan geparkeerd, als verdwaalde overblijfselen van een overstromingsramp. Zwarte rubberen kabels kronkelen het bordes op.
Binnen, in de met rood velours beklede gangen, is het warm en druk. Journalisten verdringen zich bij de telefoons, of staan met elkaar te praten en te lachen. Publiciteitsmedewerkers lopen nerveus van hot naar her. Kleine groepjes technici zijn bezig met kabels. Hotelpersoneel brengt koffie rond, zamelt gebruikt servies in en leegt asbakken.
Midden in de drukte, in de hotellounge, zit een jongetje van een jaar of zeven op een bank met een grote, witleren voetbal tussen zijn enkels. Danny Kleidermann verveelt zich. Zijn moeder, een van Charlene Parkers costumières, heeft dienst vanmorgen. En er is niemand die aandacht aan hem besteedt.
Het epicentrum van de bedrijvigheid is de perskamer van het hotel. Daar verzamelen zich journalisten die ongeduldig hun vragen nog eens doornemen. Fotografen zijn bezig met hun apparatuur. Achter een plompe camera dromt een camerateam van de WDR samen. Medewerkers van de platenmaatschappij hangen nerveus rond bij de plaats van het interview, een podiumpje dat is ingericht als zithoek. De persconferentie is al een half uur vertraagd, en ook het nieuw aangekondigde tijdstip zal waarschijnlijk niet worden gehaald: de deur waarlangs de zangeres moet binnenkomen blijft potdicht. Miss Parker heeft sterallures. Sinds ze in ´65 voor het eerst Duitsland heeft aangedaan, is haar ster pijlsnel gerezen. In het najaar van 1970 is ze een internationale topper, met platenoplagen die die van de Rolling Stones overtreffen.

woensdag 7 september 2022

59. Briefing

[Wat voorafging]

Gutschein houdt, tot Gerhards verrassing, met zijn nerveuze, wat geknepen stem, een doortimmerd verhaal, waarbij hij uitweidt over drughandel door Hollandse groeperingen. En over de grote aantallen Duitse jongeren die zelf naar Venlo gaan om stuff te halen. Er zit zelfs een uiteenzetting bij over de wijze van optreden van de Hollandse autoriteiten, die enig rumoer veroorzaakt in de zaal vol met geüniformeerde politiemensen. En die zeker niet geschikt is voor publicatie. Ook over de linkse beweging in Holland heeft Gutschein dingen te melden die Gerhard nog niet eerder heeft gehoord. Zelf zit hij, met zijn handen om een van de onbeholpen grote koffiemokken van het Düsseldorfse bureau, achter in het stoffige zaaltje, en laat duistere blikken dwalen over het gehoor van brave Düsseldorfse bullen. Gutschein betrekt hem, zoals hij hem van tevoren op het hart heeft gedrukt, niet bij de briefing, vraagt hem niets, en werpt hem alleen zo nu en dan een ongeruste blik toe.
Op de terugweg in de auto maakt hij de jongen een compliment. Een goed verhaal. Niet alleen de standaardinformatie, maar ook informatie die is toegesneden op de situatie in Düsseldorf. Wat Gutschein te berde bracht over de gang van zaken in Holland valt overigens buiten de competentie van het bureau. Waar heeft hij dat materiaal vandaan?
Gutschein glundert. Zijn vriendin, zegt hij, Saskia Ohlenberg. Ze is journaliste. Ongelofelijk wat die aan informatie boven tafel weet te krijgen. Wat hij had verteld over Holland kwam van een Hollandse vriendin, die bij een weekblad werkt, vertelt hij zijn ongelovig toeluisterende chef. Vrij Nederland, misschien kent Gerhard het? Een beetje zoals Gerade Nun bij ons. Misschien nog wel radicaler. Daar in Holland is alles veel vrijer dan bij ons. Saskia ziet de Hollanders als een voorbeeld. Zo zou het in Duitsland ook moeten zijn. Open. En vooral met humor. Zo is Saskia zelf ook. Een geweldige meid.
‘En discreet,’ voegt hij er haastig aan toe, als hij de donderwolken op het gezicht van zijn chef ziet.
‘En neukt ze lekker,’ vraagt Gerhard sarcastisch.
Waarop Gutschein er verder het zwijgen toe doet.
Evenals hijzelf.

dinsdag 6 september 2022

58. Briefing

[Wat voorafging]

Op vrijdag is het coördinatiepunt uitgestorven. Fischler is donderdag vertrokken naar de Verenigde Staten, om een terrorismecongres bij te wonen in Washington. Kaminsky werkt weer thuis, nu aan een rapport dat in essentie een ‘Voorbericht’ moet worden over de Stäuberle-Konopka-groep, en dat als basis zal dienen voor een nieuw dienstbericht, waarmee Norbert Gutschein van voorlichting de boer op wil om de geesten rijp te maken voor terrorismebestrijding. Weiss is naar Stuttgart, in verband met een melding over een autonome groep, en Hahn is ziek. Rudi Drechsler, de documentalist, doet ‘literatuuronderzoek’, wat in de praktijk betekende dat hij een dag vrij heeft. En Gerda Pfau, met nog steeds achter haar jampotbrillenglazen dat opvallend zachte, vrouwelijke gezicht, zit boven achter haar typemachine te dromen.
Gerhard zelf brengt de ochtend door met het doornemen van de stroom dienstberichten. Veel bijzonders is er, zoals meestal, niet bij. Demonstraties. Zogenaamde ludieke acties. Baldadigheden van kinderen met een grote mond. Woongroepen die op versleten stencilmachines pamfletten uitdraaien die nauwelijks leesbaar zijn en waarvan je je niet kunt voorstellen dat ze ooit door wie dan ook gelezen worden. Behalve natuurlijk door de medewerkers van dit deerniswekkende bureau. Om vervolgens te worden geclassificeerd en opgeborgen in het documentatiesysteem in opbouw.
Gerhard heeft Norbert Gutschein gevraagd de briefing te verzorgen voor Kloster in Düsseldorf. Als die aan het begin van de middag aanstalten maakt om te vertrekken, besluit hij zelf mee te gaan.


maandag 5 september 2022

57. Liebknechtstrasse

[Wat voorafging]

Na het weekend is Gerhard weer op kantoor. Er is weinig gebeurd. Norbert Gutschein, de PR-man, is op eigen houtje begonnen met de voorbereidingen voor een voorlichtingscampagne over wat nu standaard wordt aangeduid als ‘de terroristische dreiging’. Vanaf november gaat hij lezingen geven voor de politie in steden in de Bondsrepubliek waar daar belangstelling voor is. Gerhard houdt zijn hart vast. Hahn en Weiss helpen Drechsler bij het ordenen van zijn steeds omvangrijker documentatie. Kaminsky werkt nog steeds thuis. Zelf heeft Gerhard bij het werkoverleg zoals gewoonlijk niets te melden.
Later die dag heeft hij een aanvaring met Fischler. Tegen drie uur steekt Gerda Pfau haar hoofd om de hoek van zijn kantoor en zegt bedeesd dat hij boven wordt verwacht. Als hij binnenkomt, toont Fischler hem met een verbeten mond het Lösch-rapport.
‘Herr Kaminsky was hier,’ zegt hij.
‘Ik dacht dat die thuis werkt,’ zegt Gerhard. Maar Fischler negeert dat. ‘Ik krijg dit op mijn bureau,’ zegt hij. Hij laat hem het tweede blad zien, met een groezelige lichtbruine vlek. ‘Wat is dat?’
‘Een koffievlek?’
Fischler kijkt hem vragend aan.
Hij kijkt terug.
‘Hebt u dit rapport gezien, Herr Gerhard?’
Gerhard haalt zijn schouders op. ‘Als ik hier ben, zie ik de rapporten altijd. Ik ben doorgaans voor achten op kantoor.’
‘En wat is de reden, als ik vragen mag?’
‘Ja bitte.’
Fischler bindt onmiddellijk in. ‘Ik weet dat u hier coördinator bent. Maar ik vind het,’ hij zwijgt even, zoekt naar een woord, ‘onaangenaam, dat u buiten mijn weten…’
‘Ik doe gewoon mijn werk,’ onderbreekt Gerhard hem.
‘Ja ja,’ zegt Fischler. ‘Daar twijfel ik niet aan. Maar Herr Kaminsky…’ Hij aarzelt weer. ‘Herr Kaminsky ziet dat als een inbreuk op zijn autonomie.’
‘Autonomie?’ zei Gerhard ironisch.
‘Nou ja, Kaminsky heeft natuurlijk zijn eigen verantwoordelijkheid.’
‘Zijn we hier ook al een stelletje subversieven?’
‘Zo moet u dat niet zien.’
‘Ik kijk de rapporten door uit hoofde van mijn functie. En als ik daar aanleiding toe zie, behandel ik ze. En als de heer Kaminsky een onderzoek doet, of Herr Weiss, of Herr Hahn, dan zijn ze daarover verantwoording schuldig aan mij. Uiteraard in overleg met u. Maar dat is mijn functie. Daar ben ik voor benoemd. Ik ben hier coördinator. Ik coördineer alle uitvoerende activiteiten. Zo staat het in de taakomschrijving die ik met de heer Bödel overeen ben gekomen. Zoals u heel goed weet.’
Hij begint boos te worden.
‘Ik voer gewoon uit waarvoor ik hier zit, Herr Fischler,’ zegt hij op een bijna dreigende toon. ‘En als daar achter mijn rug bezwaar tegen wordt gemaakt, dan neem ik dat hoog op. Dan neem ik dat heel hoog op.’
‘Ja, ja,’ zegt Fischler bezwerend. Dat is natuurlijk absoluut niet de bedoeling.
‘Als Kaminsky mij ergens over wenst te spreken, dan ligt het niet op zijn weg om dat via u te doen. Dan weet hij mij te vinden. En ik ga er overigens van uit dat hij mij nu ook weet te vinden. Om zijn excuses aan te bieden.’
Daar laat hij het bij.
En daar blijft het ook bij.
Kaminsky komt die woensdag weer opdagen.
En sluipt als een geslagen hond door de gang, als hij hem tegenkomt.
Een geslagen hond, met een moorddadig licht in zijn ogen.

zondag 4 september 2022

56. Liebknechtstrasse

[Wat voorafging]

Het is laat in het jaar en het weer wordt met de dag herfstiger. De bladeren van de linden aan de Liebknechtstrasse beginnen geel te worden en vallen af. Op het kantoor van de Sicherungsgruppe glijden de dagen rimpelloos voorbij. Donderdag de zestiende maakt Gerhard een reis naar Berlijn, om met commissaris Klug te spreken over de arrestatie van Lösch. Klug blijkt oké. Geen nazi. Een solide politieverleden. Misschien een beetje een verbitterde man. Dat herkent Gerhard wel. Ze eten samen en speculeren over de radicalen. Ze zijn het erover eens dat het Roodfront een duidelijke stap vooruit is. Een escalatie. Maar het zijn nog steeds amateurs. Bijna aandoenlijk. Klug vertelt hem details die niet in de officiële dossiers terecht zijn gekomen. Er zijn pogingen gedaan om de groep te infiltreren. Maar dat is uitgelopen op een reeks smadelijke mislukkingen.
‘Wat was het probleem?’ vraagt Gerhard.
‘De infiltranten waren professionals,’ zegt Klug. ‘Die vielen natuurlijk gelijk door de mand.’ 
Hij heeft gehoord dat Staüberle bezig is een volkswagenbusje om te bouwen tot helikopter. Met als doel uiteraard om Lösch uit de gevangenis in Tegel te bevrijden. Daar kunnen ze wel om lachen. En ze drinken er op. Over Irmgard Konopka heeft Klug niets te melden. ‘Spoorloos,’ zegt hij. ‘Waarschijnlijk zit ze ergens in een safehouse pamfletten te schrijven, waarin ze uitlegt waarom het nodig is over te gaan van loze protesten naar de revolutionaire praxis. Sexy vrouw trouwens. Ken je haar?’
Het weekend blijft Gerhard in Berlijn. Hij heeft een teleurstellend rendez-vous met Debbie Kelsoe in de gevangenis van Tegel. Kelsoe is niet van plan haar mond tegen hem open te doen. Hij maakt ook van de gelegenheid gebruik om kennissen op te zoeken. Collega’s van de douane. Van de Verfassungsschutz. Collega’s uit de tijd van de clandestiene activiteiten. Allemaal tamelijk ontevreden. Gefrustreerd. Het is meer dan drie jaar geleden dat er een serieuze actie heeft plaatsgevonden. Er zijn er zelfs die menen dat dat soort acties definitief van de baan is. Maar bewijs daarvoor heeft niemand. Over de radicalen heeft iedereen wel iets te melden. Maar dat gaat niet verder dan de gebruikelijke prietpraat. Seks en drugs en rock and roll. Terroristische activiteiten? Laat me niet lachen.



zaterdag 3 september 2022

55. Rühle

[Wat voorafging]

‘Als je zo jong bent…’
‘Ik ben geen kind, als je dat soms denkt,’ zegt Schneider scherp.
‘Neem me niet kwalijk.’
‘Hoe oud ben jij?’
‘Weet je dat niet?’
‘Ergens in de dertig.’
‘Zesendertig.’
‘Jij kunt je de oorlog nog herinneren.’
‘Maar de strijd houdt niet op.’
‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Weet je, soms heb je het gevoel dat je vast zit.’ Ze aarzelt. ‘Dat je als het ware in de val bent gelokt. Ken jij dat gevoel?’
‘Ik laat me niet in de val lokken,’ zegt Schneider wantrouwend.
Ze moet lachen.
‘Eigenlijk hoor je helemaal niet bij ons,’ zegt ze.
Hij kijkt haar verbaasd aan. Zijns ondanks gekwetst.
‘Hoezo niet?’ vraagt hij.
‘Je bent eerder een anarchist.’
‘Anarchist. Ha.’
‘Vind je zelf van niet?’
‘Ik weet niet,’ zegt hij voorzichtig. Hij tast zijn geweten af. ‘Ik ben een handelaar.’
‘Een handelaar?’ zegt ze met een vies gezicht.
‘Is daar iets mis mee?’
‘Je handelt.’
‘Ja.’
‘En nu?’
‘Nu ook.’
‘Nu ook,’ zegt ze. ‘Ik dacht het al.’
Ze kijkt hem aan. ‘Waar ben je mee bezig?’ vraagt ze.
‘Nergens mee.’
‘Nergens mee?’
Hij kijkt haar even onderzoekend aan.
‘Oké,’ zegt hij dan, ‘ik ben een handeltje begonnen. In de buurt van Oberhausen.’
‘Een handeltje. Wat voor handeltje?’
‘Niks bijzonders.’
‘Wat?’
‘Ik doe wat met drugs.’
‘Drugs!?’ Ze kijkt hem ontsteld aan. ‘Ben je gek geworden!’
‘Wat wil je dan? Dat ik de hele dag in dat huisje blijf zitten?’
‘Wat voor drugs?’
‘Softdrugs. Alleen softdrugs. Hasj, wiet, je weet wel. He?’
Anna veegt met de rug van haar hand het regenwater weg, dat door haar wenkbrauwen in haar ogen sijpelt.
‘Wat is er?’
‘We gaan terug,’ zegt ze plotseling gedecideerd. ‘We gaan terug naar het huisje. Als we zo blijven doorlopen worden we doornat.’

 

vrijdag 2 september 2022

54. Rühle

[Wat voorafging]

Ze lopen door. De boomgaard gaat over in bos dat een eind verder terugwijkt en plaats maakt voor een boerderij. In de moestuin staat een vrouw, een forse vrouw van een jaar of veertig, op een schop geleund. Ze heeft het haar in een knotje, al grijzend. Een lange rok aan. Ze kijkt naar de lucht, die niet wil opklaren.
Schneider kijkt Anna aan. Haar gezicht staat strak.
‘Wat heb je,’ zegt hij.
‘O shit,’ zegt Anna. ‘Vroeger…’
‘He?’
‘Het lijkt wel of alles vroeger eenvoudiger was.’
Schneider haalt nors zijn schouders op.
‘Tegen de atoomdood,’ zegt ze, ‘tegen het fascisme.’
‘Nou en?’
‘Maar nu… Waar zijn we nu tegen? Tegen bierdrinken.’
‘Je hebt natuurlijk gelijk…’
Ze zwijgt even.
‘Waar wil je naar toe,’ vraagt Schneider behoedzaam.
‘Naar Rühle?’
‘Dat bedoel ik niet,’ zegt Schneider.
Maar ze schudt het hoofd.

‘En jij? Waar kom jij vandaan?’
‘Oberhausen,’ zegt hij kortaf.
‘Kohlenpott,’ knikt ze. ‘Ken je het rijmpje?’
Schneider knikt.
‘Keine Arbeit, kein Geld, immer besoffen, schwarz war die Welt.’
Hij haalt zijn schouders op. ‘Zo is het al lang niet meer,’ zegt hij.
‘Een sombere stad.’
‘Ja.’
Ze zwijgen even.
‘Een Scheissstad.’
‘Je roots, dat heb je niet voor het kiezen.’
‘Roots?’
‘Wat doet je vader? Kompel? Of in de metaal?’
Schneider kijkt haar wantrouwend aan.
‘Waarom wil je dat weten?’
Anna drukt haar ellebogen tegen haar lichaam. ‘Gewoon, belangstelling,’ zegt ze behoedzaam.
Schneider lacht schamper. ‘Ik heb geen vader,’ zei hij.
‘Geen vader?’
‘Dood.’
‘In de oorlog?’
‘Hoe oud denk je dat ik ben?’
Ze kijkt opzij. ‘Je bent van na de oorlog.’
‘‘47.’
‘‘47. Ja, lieve help, je bent pas… 23?’


donderdag 1 september 2022

53 Rühle

[Wat voorafging]

De volgende ochtend, na het eten, zit Schneider landerig aan de radio te draaien als Anna haar jas aantrekt, een kort legerachtig jack met capuchon.
‘Ga je mee?’
‘Wat ga je doen,’ vraagt hij.
‘Wandelen.’
‘Wandelen? Het regent.’
‘Heb je geen regenjas?’
‘Ik heb mijn jopper,’ zegt hij weifelend.
Anna loopt de deur uit, en hij duwt op de uitknop van de radio, pakt zijn jas en loopt haar achterna. 
Het regent inderdaad. Niet hard maar gestaag. Het pad dat van het huisje naar de provinciale weg leidt is glibberig, en er lopen al kleine beekjes door de richels in het wegdek, van leem en grint. Boven aan de weg maakt Anna een vaag gebaar naar links, en begint over het zwarte teer in de richting van Rühle te lopen.
Schneider aarzelt. ‘We worden doornat,’ zegt hij.
Konopka draait zich om. ‘Het klaart wel op,’ zegt ze. ‘Kom mee.’
En hij komt.
Ze lopen zwijgend naast elkaar. Links de rivier. Rechts weiland, dat na een paar honderd meter plaats maakt voor een natte, bijna ontbladerde appelboomgaard, waar hier en daar nog vergeten appels aan de takken hangen. Schneider pijnigt zijn hoofd over iets wat hij kan zeggen. Maar alle onderwerpen lijken taboe.
Na een poos is het Anna die de stilte verbreekt.
‘Je drinkt te veel,’ zegt ze op beschuldigende toon.
‘He?’
‘Je drinkt te veel.’
Schneider protesteert. ‘Dat is gelul.’
‘Ik heb de flesjes geteld. Het zijn er meer dan negen per dag. Een kratje in iets meer dan twee dagen.’
‘Tel jij mijn biertjes?’
‘Sinds we hier zijn…’
‘Tel jij mijn biertjes?’
‘Sinds we hier zijn heb je vier kratjes leeggedronken.’ Ze gaat onverbiddelijk door. ‘We zijn tien dagen hier. En bijna de helft van de tijd ben je weggeweest.’
‘Nou moet het niet gekker worden,’ zegt Schneider, schor van woede. ‘Nou moet het niet gekker worden. Ze telt mijn biertjes.’
‘Negen flesjes, dat is drie liter, weet je dat. Per dag.’
‘Ze telt mijn biertjes godverdomme!’
‘Je verpest je gezondheid.’
‘Heb je niks beters te doen? Heb je niet wat te schrijven of zo?’
‘Je vernielt je hersencellen. Je vergiftigt je lever. Waarom doe je dat?’
‘Waar bemoei je je mee?’
‘Heb je een hekel aan jezelf?’
Hij klemt zijn kaken op elkaar, en schopt woest tegen een steentje dat in de weg ligt.