maandag 11 juli 2022

1. Berlijn, Gierkeplatz

Vrijdag 9 oktober 1970. Berlijn. We zijn in de woning aan de Gierkeplatz van Rudolf Otto Boot-Jürgens. Professor Doktor. Emeritus. Boot-Jürgens is een goed geconserveerde zeventiger met een welige bos zilvergrijs haar. Hij zit voor een spiegel en is bezig met een pincet de neusharen te verwijderen die de laatste jaren met een aanstootgevend vertoon van valse levenskracht uit zijn neusgaten spruiten. Achter hem staat zijn vrouw, Trude-Lise, die hem via de spiegel een rouwkaart voorhoudt, een dubbelgevouwen blad van gemarmerd papier, met een klerikale rand paars.
‘Reiss is dood,’ zegt ze.
‘Hmhm.’
‘Reiss, Georg Reiss. Je weet toch wel. De voorzitter van de werkgevers.’ Trude-Lise aarzelt even, alsof ze het niet meer zeker weet.
‘Ja, ja, ik weet het.’
‘Hij was toch een vriend van je?’
‘Een vriend…’ Boot-Jürgens maakt een relativerend geluid. Achter zijn schouders ziet hij Lise’s bezorgde gezicht opduiken. Haar ogen zwarte kraters in de ruïne van haar gezicht. ‘We hebben sinds de oorlog vrijwel geen contact gehad,’ zegt hij.
‘We kregen de rouwkaart.’
Boot-Jürgens tuit zijn lippen. ‘Híj heeft ze niet rondgestuurd.’
‘Hij was hoe dan ook een prominente persoonlijkheid.’
Haar woordkeus stoort hem. ‘Hij was een ex-nazi,’ zegt hij geërgerd.
‘We zullen in ieder geval naar de uitvaart moeten.’
Boot-Jürgens snuift minachtend.
‘Je bent niet van plan je te laten zien?’
Hij kijkt in de spiegel of zijn das goed zit. Hij taxeert nog een keer zijn knappe, gebruinde gezicht. Zijn taxerende ogen.
‘Nee,’ zegt hij korzelig.
Ze gaat zitten in het witte stoeltje voor haar eigen kaptafel, en steekt een sigaret op. Nog zo’n gewoonte die hem ergert. Zelf heeft hij het roken er ergens in de jaren vijftig aangegeven.
‘Jij schijnt te vergeten…’ zegt ze voorzichtig.
‘Wat?’
Ze haalt haar schouders op. ‘Niets.’
‘Wat schijn ik te vergeten?’
‘Je moet aan je verantwoordelijkheden denken.’
‘Mijn verantwoordelijkheden…’
‘Je positie…’ Ze denkt even na, schat de situatie in. ‘Je positie brengt nu eenmaal dit soort verplichtingen met zich mee,’ zegt ze dan precieus.
‘Mijn positie brengt niets met zich mee,’ zegt hij kortaf.
‘Wat heb je?’
‘Niets.’
Hij draait zich om en loopt naar de deur.
‘Wat ga je doen?’
‘Een eindje wandelen,’ zegt hij. ‘Nadenken over mijn speech.’
‘Als je de tijd maar niet vergeet.’
‘Het is nog geen vier uur.’
‘We eten vandaag om halfzes.’
‘Ja. ja.’
Hij heeft daar zelf op aangedrongen. Hij moet vanavond spreken, op het grote Oost-Europacongres dat de CDU organiseert van 9 tot 12 oktober. Zijn speech is gepland voor 9 uur. Maar hij wil bij dit soort aangelegenheden, in verband met zijn spijsvertering, altijd graag op tijd eten.
‘Ik loop alleen even door het Schlosspark,’ zegt hij. ‘Ik ben terug voor vijf uur, zodat we nog iets kunnen drinken.’

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

414. Epiloog

  [ Wat voorafging] Het is rond deze tijd dat Norbert Gutschein, als hij op zijn gewone tijd op het kantoor verschijnt, in de gang Gerda Pfa...