zondag 31 juli 2022

21. Konopka

[Wat voorafging]

De zak van de poelier bevatte twee eenden, geplukt en wel, pukkelige, blauwgele lijven.
Een cadeautje, zei Metzger. Hij was op weg naar een party.
Gerhard keek op zijn polshorloge. Elf uur ‘s ochtends? Maar Metzger maakte een wegwerpgebaar. Deze party was al twee dagen bezig, zei hij, en zou zeker doorgaan tot het eind van het weekend.
Wat niet vreemd was. Want 1965 was het jaar van de party’s. Van de bevrijding uit de benepen grijstinten van het Wirtschaftswunder en van de vreugdevolle adoptie van de Anglo-Amerikaanse decadentie. De party’s hadden hun intrede gedaan samen met een golf nieuwe Engelse popmuziek, die de schlagers van eigen bodem infecteerde en begon te overstemmen. De Beatles. De Kinks. En als voorlopig hoogtepunt een groep die zichzelf The Rolling Stones noemde en die uitmuntte in keiharde, gevoelloze en uitermate provocerende rock en roll - de lijfmuziek van losbandige feestgangers aan de zelfkant van de samenleving, op feestjes met veel alcohol en soms ook al geestverruimende versnaperingen. In ‘64 en ‘65 vertoonden de party’s een rücksichtlose opwaartse mobiliteit, eerst bij trendvolgers, activisten, studenten, kunstenaars, daarna in steeds sneller tempo bij intellectuelen, journalisten, bij politici en zelfs bij de gezeten burgerij, zowel van linkse als van rechtse signatuur. De Hamburgse redactie van de Bildzeitung scheen al sinds het begin van het jaar één voortdurende orgie te zijn en ook elders in de stad was het feestgedruis overal te horen.
Aan Sylt was het party-tijdperk niet voorbij gegaan. Het was niet dat de karakteristieke mengelmoes van muffe burgerij en verborgen chique die het eiland kenmerkte plotseling verloren was gegaan, maar onder de straatlantaarns van de strandboulevard zag je wel de eerste groepen alternatief uitgedoste langharigen rondhangen. En Gerhard meent, eraan terugdenkend, dat zelfs de eerste bontbeschilderde VW-busjes al waren gesignaleerd aan de zeekant.
De party van Metzger speelde zich af in een van de vrijstaande villa’s in de duinen. Eigendom van Reinhard Stuhl, de hoofdredacteur van Gerade Nun, een cryptocommunistisch tijdschrift waarvan de oplage de laatste tijd opzienbarend was gegroeid. Zelf had Gerhard daar professioneel niets mee te maken. Hij werkte in die tijd bij de Grenzschutz, de douane. Maar hij wist dat er een afdeling van het Kriminalamt was die zich speciaal bezighield met toezicht op het reilen en zeilen van de krant. Gerhard herkende de villa toen hij hem zag. Een hoge, haveloze kolos, witgepleisterd met stroken baksteen. Neoclassicistische zuiltjes in de gevel gemetseld, en diverse roestige balkons. Republiek van Weimar. De villa stond in een met prikkeldraad omgeven tuin van helmgras. Ja, zei hij, terwijl hij vanaf de met klinkers belegde strandweg met de handen in de zakken luisterde naar de muziek die naar buiten dreunde. Ja goed, hij ging even mee naar binnen.


zaterdag 30 juli 2022

20. Konopka

[Wat voorafging]

Gerhard heeft Konopka ruim vijf jaar geleden leren kennen, in de zomer van 1965. De tussenpersoon was Metzger. Een beetje een dubieus type, deze Metzger, maar Gerhard huldigde, toen zowel als nu, het standpunt dat je mensen moet vertrouwen – in ieder geval tot het moment dat ze aanleiding hebben om te twijfelen aan jouw eigen betrouwbaarheid. Naar die maatstaf was er in 1965 geen aanleiding om kritisch naar Metzger te kijken. De man werkte bij de Verfassungsschutz, de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Hij had één keer deel uitgemaakt van een team dat onder zijn commando een clandestiene operatie had uitgevoerd. Een operatie die succesvol was verlopen.
In september 1965 was Metzger een kleine, bijna gezette, en overvloedig zwetende man van een jaar of veertig. Gerhard kwam hem tegen in een supermarkt in Wenningstedt op Sylt. Hij was diep gebruind en droeg een halflange flodderbroek onder een nogal opzichtig bermuda-shirt - zijn blote, babygladde onderbenen een vreemde tegenstelling met zijn zwaarbehaarde bovenlijf.
‘Hee, chef,’ zei hij.
Gerhard liep met een van die supermarktmandjes van vertind ijzerdraad, dat hij gestaag vulde met de boodschappen die Magda hem had gevraagd mee te brengen. Metzger had een zak onder de arm van de poelier die in de supermarkt was gevestigd.
‘Eenden,’ zei hij, toen hij Gerhards blik zag.
‘Vakantie op Sylt?’ zei Gerhard.
‘Zaken. En jij? Ha. Boodschappen voor het vrouwtje he.’ En vrijwel onmiddellijk daarop: ‘Drinken we er eentje?’
Gerhard gaf zijn boodschappen bij de kassa af om ze te laten bezorgen. Even later zaten ze op een terras, in de wind en het fijne zand van de strandboulevard. Ja, zei Gerhard, hij was met vakantie. Nee, zei Metzger. Hij was weg bij de politie. Hij was zelfstandig ondernemer tegenwoordig. Import van artikelen voor sportscholen. Goeie business. Fitness, chef. Dat was echt de toekomst. Zijn inkomen was al jaren een veelvoud van wat hij bij de Veiligheidsdienst verdiende. Hij had zelf ook een sportschool. Hier op Sylt. Een hip dingetje. Hij toverde een kaartje tevoorschijn, dat hij met een draai van zijn pols presenteerde. Gerhard moest maar eens langskomen.

vrijdag 29 juli 2022

19. Konopka

[Wat voorafging]

Het Roodfront, de Staüberle-Konopka-groep, is voor het Bureau van Emmerich Gerhard een hoge, misschien wel de hoogste prioriteit. Toen hij in mei aantrad in het kantoor van de Sicherungsgruppe aan de Liebknechtstrasse was het Roodfront al ‘hot’. Er gingen geruchten dat er groepsleden naar Palestina waren gereisd voor een trainingsstage bij de PLO. Later werd er gezegd dat ze waren teruggekeerd. Er werden aanslagen aan hen toegeschreven. En het stond vast dat ze niet lang geleden, op 22 september, een serie gewapende overvallen hadden gepleegd op banken in Berlijn. Gerhard volgt die gebeurtenissen uiteraard. Maar hij bemoeit er zich persoonlijk niet mee. De senior-onderzoeker Gerd Kaminsky heeft het Roodfront in zijn caseload, en Gerhard zag bij zijn aantreden geen aanleiding dat te veranderen, want Irmgard Konopka is binnen de Roodfrontgroep een sleutelfiguur en Gerhard, die ondanks zijn modieuze coördinatorschap een onbeduidend figuur is, een uitgerangeerde oude vuilak, heeft natuurlijk wel die persoonlijke geschiedenis met Konopka. En zaken en privé worden in de dienst strikt gescheiden, ook al heeft het privé zich afgespeeld ruim voordat Konopka voor de dienst interessant werd.  
Toch vraagt het privé, nu de journaliste een beetje een obsessie aan het worden is, eigenlijk wel om evaluatie.


donderdag 28 juli 2022

18. Gerhard

[Wat voorafging]

Hij droomt. Niet van Heidi. Hij is, met zelfs in zijn droom een gevoel van verbazing, terug bij Konopka. Hij ziet haar heel duidelijk. Die schelende ogen, bezwete haren. En tegelijk dat typerende praten van haar. Praten, praten, praten. Met die kalme, zelfverzekerde stem, die de wijsheid in pacht heeft. Wat ze zegt, wil niet tot hem doordringen. Onbelangrijk links geklets. Redeneringen waar je toch geen speld tussen krijgt. In lange, kronkelige, eigenlijk nogal zelfingenomen zinnen. Maar hij wil haar als een gek. Hij pompt en pompt. Maar er komt niets. Als hij wakker wordt, bezweet, heeft hij een pijnlijke erectie en is hij vervuld van schaamte. De volgende ochtend doucht hij lang.
Bij het ontbijt ligt op de stoel naast hem een slordige stapel krantenpapier, een al gelezen exemplaar van de Bildzeitung. Hij pakt de krant op, schudt de katernen in elkaar en legt ze in de juiste volgorde. Op de voorpagina, in de gewone schreeuwerige combinatie van zwart en rood, staat het bericht dat er in Berlijn een slag is toegebracht aan het terrorisme. Ze hebben de advocaat Lösch opgepakt. Hij kijkt het bericht snel door. Het nieuws is kennelijk gisteravond al op de Tagesschau geweest, maar hij heeft geen televisie gezien. In ieder geval zijn er foto’s. Onscherpe foto’s, allemaal van grote afstand genomen, met flitslicht. Het resultaat: vage zwartwitmonsters bij de ingang van een van die luxe flats in Zehlendorf, en vier onherkenbare gestalten - een met wat kennelijk is bedoeld als een opgestoken vuist - die door een drom politiebeambten naar politieauto’s worden geëscorteerd. Drie vrouwen, zegt de tekst van het artikel, en een man die is geïdentificeerd als Herman Lösch, de advocaat. Wat standaardwetenswaardigheden over Lösch, die een roerig verleden heeft als society-advocaat en activist. In de flat zijn wapens en explosieven aangetroffen. De politie gaat ervan uit dat de flat gebruikt werd als schuilplaats van de ‘Staüberle-Konopka-bende’ - het ‘Roodfront’ zoals ze zichzelf noemen. Het ziet er niet naar uit dat Christian Staüberle bij de arrestanten was. Evenmin als zijn partner Eva Richter. Of Irmgard Konopka. 

woensdag 27 juli 2022

17. Gerhard

[Wat voorafging]

Gerhard knoopt zijn broek van zwarte keperstof dicht, en propt een stuk overhemd dat er uithangt achter de broeksband. Hij schiet zijn slobberige colbert aan en zijn regenjas. In de treurige kleine keuken van het safehouse wast hij zijn handen, maar Heidi’s geur blijft aanwezig onder die van de Lux toiletzeep. Hij kijkt in de kleine, in lichtblauw plastic gevatte spiegel die boven het aanrecht hangt. Terrorismebestrijding. Een fraaie manier om een carrière af te sluiten! Hij ruimt het appartement op en gaat weg zonder om te kijken. Zo gaan dingen. Op een of andere manier duikt Irmgard Konopka weer op voor zijn geestesoog. Zij had er wel raad mee geweten. ‘Zo werkt de bureaucratie,’ zei ze dan tegen hem. ‘Een middel om mensen monddood te maken.’ Met dien verstande dat hij natuurlijk eigenlijk altijd al monddood wás.

Zin om naar zijn flat in Keulen Raderthal te rijden heeft Gerhard niet. Hij slentert naar een hotel waar hij wel vaker overnacht en neemt daar een kamer. In de lounge leest hij, met zijn gezicht naar de ingang – altijd alert! - een exemplaar van de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Later, op zijn kamer, aarzelt hij of hij een escortservice zal bellen. Hij is Heidi’s geur en haar geilheid nog niet kwijt. Maar uiteindelijk valt hij in slaap voor hij tot een beslissing komt.

dinsdag 26 juli 2022

16. Gerhard

[Wat voorafging]

Wandelen in wellust en losbandigheid, denkt Gerhard. Op het gebied van harteloze seks is hij natuurlijk onverslaanbaar. Emmerich Gerhard, een politieman in zijn nadagen. Geboren in het voorjaar van 1919. In oktober 1970 is hij 51. Ooit leidinggevende bij de Zollnachrichtenstelle, de Douaneopsporingsdienst in Hamburg. En een gerespecteerd, in kleine kring  misschien zelfs vermaard hoofd van wat achter de coulissen ‘Sectie Vier’ wordt genoemd, de officieuze dienst voor clandestiene operaties van de Duitse politie: een steeds ad hoc gevormde groep van specialisten voor nationale en supranationale problemen die niet langs de normale weg opgelost kunnen worden. Zeg maar ontvoeringen, liquidaties, dat soort zaken. Waarbij Gerhard de operationele aspecten voor zijn rekening nam en zijn chef, Klaus Bödel, de achterkant van het verhaal, de contacten met de politiek, met de bezettingsmachten.
Inmiddels is Gerhard vakkundig op een zijspoor gerangeerd, als coördinator met de rang van commissaris bij de Sicherungsgruppe, het Coördinatiepunt Politiek Gemotiveerde Gewelddaden. Het klinkt indrukwekkend, maar deze afdeling van de Federale Recherche is in feite een veredeld documentatiecentrum, waar Gerhard leiding geeft aan een stel halfsnuggeren, die informatie verzamelen over de antiautoritaire studentenbeweging en andere would-be revolutionairen.
Hij heeft de functie sinds het voorjaar. Na een telefoontje, begin april,  uit Wiesbaden. Van Bödel, die het inmiddels heeft geschopt tot president van het Bundeskriminalamt, de Federale Recherche.
Hij reageerde in eerste instantie gretig, toen hij de stem van Bödel hoorde. Maar die deed zijn verwachtingen onmiddellijk teniet. ‘Nee, haha,’ zei hij. ‘Geen clandestiene operatie, beste jongen, geen sprake van, dat is voorbij.’
Maar dit was nog veel mooier, ging hij verder. Hij had een functie als coördinator voor Gerhard. Een promotie. Hij werkte weliswaar onder een directeur, een zekere Fischler, maar dat was een politieke benoeming. Het coördinatorschap was een commissarispost, twee rangen hoger dan de functie die Gerhard op dat moment bekleedde. En er was een riant salaris aan verbonden.
Gerhard besefte onmiddellijk wat het betekende.
‘Nou? Kom op man.’
Gerhard knikte. ‘Ja,’ zei hij gehoorzaam.
‘Prachtig, prachtig, ik ga het regelen.’
Gerhard hoorde Bödel aan de andere kant van de lijn met papieren ritselen, iets opschrijven. ‘Je moet een keer naar Wiesbaden komen,’ zei hij. ‘Dan gaan we naar de kroeg om de details te bespreken. Je zult tevreden zijn. Dit is echt een geweldige baan. Enorme perspectieven. Een uitgelezen kans, voor een doorgewinterde oude hond als jij.’
Van het bezoek aan Wiesbaden is natuurlijk nooit iets gekomen.
Alleen wandelen. In wellust. En losbandigheid.

maandag 25 juli 2022

15. Heidi

[Wat voorafging]

Het appartement is veel kleiner dan hij zich herinnert, een krappe bedoening, met achter de voordeur een halletje en daarachter een wc, een zitkamer en een kleine keuken. In de zitkamer een erker met een bureau, en tegenover de ramen een bed. Onopgemaakt, lakens en dekens in een keurige stapel aan het voeteneinde. Geen planten uiteraard. In de boekenkast een rijtje boeken die niet van dummy’s zijn te onderscheiden. Nauwelijks een huis waarvan je je kunt voorstellen dat er ooit iemand gewoond heeft. Op de vensterbank, tussen dode vliegen uit een vergeten verleden tijd, staat een stoffige verrekijker, een herinnering waarschijnlijk aan een of andere al lang afgeronde observatiejob. Heidi kijkt voorzichtig om zich heen, en gaat na enige aarzeling aan de eettafel zitten voor het raam dat uitkijkt op een tweederangs winkelstraat.
‘Wat was het ook weer voor werk dat je doet?’ vraagt ze.
‘Bundeskriminalamt,’ zegt hij. ‘BKA.’ En onmiddellijk daarover heen: ‘Wat wil je drinken?’
‘Zijn we hier om iets te drinken? vraagt ze in een misplaatste poging het ondeugende meisje uit te hangen. Maar hij treuzelt, om redenen die hemzelf niet goed duidelijk zijn. Hij pakte de fles Ballantines uit de kast - het huismerk van de dienst - en veegt twee glazen schoon. ‘Puur?’ zegt hij, ‘of met water?’
Ze praten nog wat door. Koetjes en kalfjes. Haar pogingen meer te weten te komen over zijn werk omzeilt hij met de terloopsheid van jarenlange routine. Uiteindelijk pakt ze zijn pink als hij haar glas bijvult, en bijt er in. Hij buigt zich naar haar hals en proeft het zout van haar huid. Dat trekt hem over de streep.
De seks die ze hebben, lijkt het nog het meest op het vechten van dieren.
En duurt nauwelijks tien minuten.
‘Nou, dat was het dan,’ zegt ze na afloop. Ze komt overeind en trekt haar kleren recht. ‘Frech.’
‘Dat mag je wel zeggen,’ zegt hij.
Ze pakt haar tasje en loopt naar de deur.
‘Waar ga je heen?’ zegt hij.
‘Naar huis,’ zegt ze.

zondag 24 juli 2022

14. Heidi

[Wat voorafging]

Ze drinken koffie aan de Rathausufer, bij de Oude Haven. Onder jagende wolken waaruit zo nu en dan een spatje regen valt. De rivier ligt er schitterend bij, besprenkeld met schepen die onderweg zijn naar Holland, of die hun lading van Rotterdam het binnenland invaren. Ze praten wat, quasi-onverschillig. Over de stad. Over Mülheim waar Magda vandaan komt, en waar ze voor zover hij weet nu weer woont. Jazeker. Ja, Heidi weet dat Magda en hij uit elkaar zijn. Nee, ze heeft geen contact meer met haar. ‘Die ist ja ziemlich radikalisiert,’ zegt ze met een scheve glimlach. Maar daar reageert hij niet op. En zo voort. Alles zorgvuldig aan de oppervlakte. Zij spreekt niet over haar privéleven, hij niet over het zijne. Twee oppervlakkige kennissen die koffie drinken. Anonymi, op een anoniem terras. In comfortabele rotanstoelen. Schuin tegenover elkaar. Geen enkele suggestie van lichamelijke toenadering.
Uiteindelijk neemt hij haar mee naar een safehouse dat tot in de jaren zestig gebruikt is als tijdelijk onderkomen voor overlopers uit het Oostblok. Het appartement valt, voor zover hij weet, onder de Verfassungsschutz, de Binnenlandse Veiligheidsdienst, maar het is een van de huizen waarvan nogal wat politiefunctionarissen een sleutel hebben. Zijn eigen exemplaar is een kopie van die van een rechercheur uit zijn oude stad Keulen. Waarschijnlijk wordt het huis voornamelijk gebruikt voor hetzelfde doel waarvoor hij het nu gaat gebruiken. Al lijkt het erop dat dat niet heel frequent gebeurt. Alles is overdekt met een dun laagje stof.
‘Het huis van een vriend,’ zegt hij. Iemand die al meer dan een jaar in Spanje zit.

zaterdag 23 juli 2022

13. Heidi

[Wat voorafging]

‘Waar gaan we heen?’ zegt Heidi.
‘Sorry, wat zei je? ‘
Ze glimlacht. ‘Gedoe op je werk?’
Ze trekt zijn arm tegen haar borst, terwijl ze zich dichter tegen hem aan nestelt.
Ja, knikt hij. Gedoe. Altijd gedoe natuurlijk.
‘Maar je komt er wel uit.’
Ze kijkt hem zo dubbelzinnig aan dat hij zich een ogenblik afvraagt of ze op de een of andere manier op de hoogte is. Maar ze gaat er niet over door.
‘Wat leuk om jou hier zo ineens tegen te komen!’
Hij laat zijn ogen over haar schouders gaan, over haar borsten.
‘Zat je niet in Wiesbaden?’
Wiesbaden, dat klopt. Daar is het hoofdkantoor. Maar hij daar komt hij nooit. Hij werkt in… de buitendienst.
‘Buitendienst’. Heidi proeft het woord even op de tong. Geen topfunctie. Wel zelfstandig. Met waarschijnlijk een onkostenvergoeding.
‘Ergens aan de rivier?’ zegt hij. 
Hij kijkt naar de hemel, die half bewolkt is. 9 oktober. Redelijk weer voor de tijd van het jaar, maar al fris. En winderig.
‘Een of ander overdekt terras met uitzicht? Zeg het maar.’



vrijdag 22 juli 2022

12. Heidi

[Wat voorafging]


Emmerich Gerhard, handen in de zak van zijn ouderwetse gabardine regenjas, licht gebald, een middelvinger door de ring van zijn sleutelbos. Hij laat zijn blik over het stadsprofiel gaan, zoals zich dat voor hen en boven hen aftekent. 9 oktober 1970. Staal, kunststof, glas. In vijfentwintig jaar verrezen uit de puinhopen van ‘45. Urbane glorie bekroond met een weidse wolkenlucht, waarin juist op dat moment een vlucht duiven op weg is. Naar het zenit. Persoonlijk ziet ook Gerhard de subversieve jongelui niet als terroristen. En Kaminsky is een non-valeur. Maar de dienst is nu eenmaal de dienst.
En dit is een federale staat. Tegenwoordig. Godverdomme.
‘Onze taak is uitsluitend informatief,’ zei hij tegen Kloster. ‘Men wil u uiteraard niets opdringen, maar op het Bondsniveau is men van mening dat in de landen niet altijd wordt beseft hoe ernstig de situatie is. Men denkt dat de politieman in uniform zich beter bewust moet zijn van de dreiging.’
‘En u dringt aan op, hoe noemt u het, “briefings”?’
‘Voor de smeris op straat,’ vulde Gerhard automatisch aan. ‘Informatie over de motieven achter het strafbare handelen van de extremisten, en over de revolutionaire doelen die ze nastreven. De wortels in de antiautoritaire studentenbeweging, en de andere krachten van de buitenparlementaire oppositie. De rol van de DDR…’
Ja, ja. Kloster glimlachte ironisch. Drugsgebruik was hier een hogere prioriteit, zei hij. Met de Hollandse grens op nauwelijks vijftig kilometer. Maar hij zou de kwestie bespreken in zijn overleg met justitie.



donderdag 21 juli 2022

11. Heidi



[Wat voorafging]

Emmerich Gerhard heeft een gesprek gehad met ene Kloster. Een commissaris van de Kriminalpolizei hier in Düsseldorf. Op verzoek. De Sicherungsgruppe heeft een stuk geproduceerd dat is uitgegaan naar alle Bondslanden. ‘Terroristenbestrijding.’ Van de hand van Gerd Kaminsky. Risicoanalyse. Taxatie van het dreigingsniveau. Flut allemaal. Maar er zijn een boel verontruste reacties gekomen. Deze Kloster stond er op met hem zelf te praten. En hij was, conform de dienstvoorschriften, komen opdraven. Herr Kommissar, noemde de man uit Düsseldorf hem consequent. Wat natuurlijk correct was, maar Gerhard zag vanaf het begin dat hij voor een muur van reserve stond. Hij snapte er niets van, zei Kloster. Sicherungsgruppe. Wat was dat precies? Landeskriminalamt? Gerhard hield zijn fatsoen. Nee, zei hij beleefd. Hij werkte voor het Bundeskriminalamt. De Nationale Recherche. Sicherungsgruppe Bonn, het Coördinatiepunt Politiek Gemotiveerde Gewelddaden. Kloster had zijn schouders opgehaald. Het was duidelijk dat hij niet veel op had met de nationale instituties. ’Maar “terroristische dreiging”, dat is toch sterk overdreven.’
‘Dat is de term die we gebruiken.’
‘Die wie gebruiken?’
‘Op het Bondsniveau…’
‘Wij hier kijken daar heel anders tegenaan.’
‘Het officiële standpunt…’
‘We zijn tegenwoordig een federatieve staat, Herr Kommissar.’
Tegenwoordig, godverdomme! Zo’n boerenlul van de Kripo. Die geen flauwe notie had van wat er aan de hand is. Evenmin als hijzelf overigens, maar daar ging het niet om. Het was obstructie. Het was pure obstructie.




woensdag 20 juli 2022

10. Heidi

[Wat voorafging]
 
Rond dezelfde tijd, zeshonderd kilometer naar het westen, in Düsseldorf, ziet een functionaris van de Sicherungsgruppe Bonn aan de overkant van een drukke winkelstraat een vrouw in een dure lakleren jas, in wie hij Irmgard Konopka meent te herkennen, de linkse journaliste met wie hij een paar jaar geleden een nogal heftige verhouding heeft gehad, maar die sinds dit voorjaar is verdwenen in de illegaliteit. Hij aarzelt even en maakt een halfslachtig gebaar. Blijkbaar valt dat de vrouw op. Er glijdt een blik van herkenning over haar gezicht en ze steekt over. Een niet onknappe vrouw van een jaar of veertig, met een hard gezicht. Ze lijkt zelfs niet op Konopka. Maar hij beseft dat hij haar wel degelijk kent, al kan hij haar even niet thuisbrengen.
‘Emmerich Gerhard!’ zegt ze.
Een sexy stem, laag, een tikje hees. En hij weet het weer. Heidi heet ze. Heidi zus of zo. Een kennis van Magda. Een vriendin? Een collega? Ze schijnt niet te weten dat Magda en hij al drie jaar uit elkaar zijn. Of weet ze het wel?
‘Wat doe jij hier?’
Hij glimlacht. ‘Werk,’ zegt hij.
‘Werk?’ Ze zegt het van de weeromstuit een beetje jolig. Alsof ze het niet helemaal gelooft. Het lijkt inderdaad niet erg op werk, zoals hij met de handen in de zakken van zijn regenjas op vrijdagmiddag tussen het winkelpubliek slentert. Ze wil een reactie. Maar hij laat zich niet uit zijn tent lokken. ‘En jij?’ zegt hij. ‘Wat doe jij?’
‘Winkelen,’ zegt ze. ‘Geld uitgeven. Tijd stukslaan.’
‘Zullen we iets drinken?’ zegt hij.
‘Heb je tijd?’
Hij knikt.
Ze pakt zijn arm met een gebaar of het de gewoonste zaak van de wereld is.

dinsdag 19 juli 2022

9. Berlijn, Gierkeplatz

[Wat voorafging] 

Tien, twintig jaar christendemocratie. Boot-Jürgens’ wandelstok tikt, terwijl hij terug naar huis loopt, woedend zijn stappen af. Tien, twintig jaar Strauss in het zadel. De onbeschaamdheid! Deze slimme boer. Zo door en door overtuigd van zijn gelijk. Van de gerechtvaardigdheid van wat er maar bij hem opkomt. En van zijn vermogen om mensen naar zijn hand te zetten. Tot collaborateurs te maken. Collaborateurs, denkt Boot-Jürgens. Meelopers. Hij denkt weer aan Reiss. Die een nazi was. Wat hij zelf niet was. Maar uiteindelijk wel een meeloper. Een opportunist. Iemand die zijn kansen afweegt. Tot de rekening wordt gepresenteerd.
Hij schudt het hoofd. En zet de herinnering van zich af.
Het is deze andere kwestie waar hij nu over moet nadenken.
‘Tien, twintig jaar de christendemocratie onbedreigd aan het roer van de staat,’ had Strauss gezegd. ‘Als we het verstandig spelen. Als we onze kalmte bewaren.’ De brutaliteit. De gotspe. In eigen persoon. En in alle openheid. De man had inderdaad een huid als een olifant.
Aan de andere kant, hij is invloedrijk. Hij is machtig. Hij is zo godverdomd machtig als een politicus in de huidige verhoudingen maar kan zijn. Als Strauss met een dergelijke suggestie komt, dan kan dat niet genegeerd worden. Hij moet iets doen richting BKA. Iets wat niet teveel risico met zich meebrengt. Maar dat hem rugdekking geeft, voor het geval de muis van dit gesprek met Strauss een staartje krijgt.
Maandag, denkt hij. Na het congres. Maandag zal hij Klaus Bödel bellen, de president van het Kriminalamt. Hij zal hem uitnodigen om eens langs te komen voor een drankje. Hij zal hem wat overwegingen voorleggen. 

maandag 18 juli 2022

8. Berlijn Gierkeplatz

[Wat voorafging]

Het plan dat Strauss ontvouwde was zo bot als van deze Beierse boer verwacht mocht worden. Het probleem met de terroristen is dat ze hun vak niet verstaan, zei hij. Amateurs zijn het. Dilettanten. Ze streven naar destabilisatie van de samenleving door het voeren van een stadsguerrilla. Maar wat brengen ze daar van terecht? Niets. En hoe komt dat? Omdat ze niet in staat zijn zich de middelen te verschaffen, meneer. 
Wat Strauss voor de geest stond, was dat de Federale Recherche zou worden ingeschakeld om de Staüberle-Konopka bende op een discrete manier aan wapens te helpen om de maatschappelijke onrust op te stoken.
Boot-Jürgens was tegen wil en dank van zijn stuk. ‘Sie sind wohl verrück geworden.’
‘Nee nee,’ zei Strauss. ‘In tegendeel. Ik heb gezond verstand. Hebt u Mao gelezen? Nee? Dat is jammer. Van Mao kunnen we veel leren. “Wanneer de vijand ons bestrijdt,” zegt Mao, “dan is dat goed, niet slecht. Wanneer de vijand sterk is, en ons energiek tegemoet treedt, dan is dat nog beter, het betekent dat we er in zijn geslaagd een duidelijke grens te trekken tussen ons en hem.” De man is op zijn manier een dichter. En hij heeft gelijk. Hoe sterker deze Staüberle-Konopka gangsters worden, hoe duidelijker de zaak op tafel ligt. De mensen worden gedwongen te kiezen. En wat zie je: de rotte appels vallen uit de mand. De halfzachte linksen vervallen in onderling geruzie en machteloosheid. En de man in de straat weet weer waar hij aan toe is. De bokken worden van de schapen gescheiden. Het is een harde remedie. Maar het is wat we nodig hebben. Om de samenleving te saneren.’
‘Een gevaarlijke remedie, meneer Strauss.’
‘Gevaarlijk? Pah. Geen denken aan. U hebt toch ogen in uw hoofd. Hoe ver denkt u dat dat kan gaan? Marginaal meneer. Niet in promilles uit te drukken. Honderd, misschien tweehonderd, driehonderd slachtoffers. Een paar doden. Een paar gebouwen verwoest. Maar wat denkt u dat er gebeurt als we het niet doen? Als we de zaak voort laten woekeren? Denkt u dat het dan beter zal gaan? Slechter, meneer. En langduriger. En pijnlijker. En vergeet u niet, als we ingrijpen hebben we het grote voordeel dat we zelf de vinger aan de knop hebben. In een jaar, twee jaar kunnen we van deze extremisten zijn verlost. En in ‘73 regeren CDU en CSU.’
Boot-Jürgens glimlachte ironisch. ‘En u bent Bondskanselier,’ zei hij. Maar Strauss schudde het hoofd. ‘Tien, twintig jaar de christendemocratie onbedreigd aan het roer van de staat,’ zei hij berispend. ‘Als we het verstandig spelen. Als we onze kalmte bewaren.’


zondag 17 juli 2022

7. Berlijn, Gierkeplatz

[Wat voorafging]

Wat Strauss wilde, maakte hij volledig duidelijk. De tegenpartij moest worden gedwongen kleur te bekennen. Het was het oude liedje. Het ABC van het politieke handwerk, al zolang mensen en andere primaten politiek bedreven. Waar het om draaide was de tegenstanders in een positie te brengen waarin ze hun geloofwaardigheid verloren. Waarin ze hun steun onder de mensen kwijtraakten. En niet te vergeten hun zelfvertrouwen. Tot ze rijp waren voor de slacht. Dat was prima natuurlijk, dacht Boot-Jürgens. En dat moest ook gebeuren. Maar hoe? Wat had Strauss in gedachten? Boot-Jürgens fronste zijn zijige patriciërwenkbrauwen maar maskeerde dat signaal snel met een innemende glimlach.
‘Wat staat u voor de geest?’ vroeg hij.
‘U, u… Hou toch eens op. Du, mein Lieber, du. We zijn hier Christendemocraten onder elkaar, wat! We zijn bondgenoten.’
Boot-Jürgens lachte zuinig terwijl hij in zijn schnaps roerde.
‘Wat denk je van de Staüberle-Konopka-bende?’
Hij schrok. Maar ook weer niet. Natuurlijk. Daar kwam de aap uit de mouw. Staüberle en Konopka. De lievelingszondenbokken van rechts. De belichaming van het vijandbeeld van het behoudende deel van de natie. ‘Herr Staüberle komt geloof ik uit München,’ zei hij ironisch.
‘Een kleine crimineel.’
‘En mevrouw Konopka is de dochter van een dominee.’
Maar Strauss wuifde dat weg. ‘De tijd van de rassenpolitiek is godzijdank voorbij,’ zei hij. ‘Herkomst, geloof, seksuele voorkeur, dat doet allemaal niet meer ter zake. Behalve misschien voor Onze-Lieve-Heer, wat? Al schijnt zelfs dat aan herinterpretatie onderhevig te zijn. Nee Lieber, de Staüberle-Konopka-groep. Ongeacht hun herkomst en sekse. Ongeacht hun effectiviteit – die overigens bedroevend lijkt te zijn - de Staüberle-Konopka-groep, dat is het doelwit. Dat is de club die Herr Brandt de das om gaat doen. Of de CDU nu meewerkt of niet.’


zaterdag 16 juli 2022

6. Berlijn, Gierkeplatz


‘Maar nu…’ zei Strauss. Hij kneep zijn ogen half dicht. ‘Het lijkt misschien nog heel wat, he? En Herr Nixon, en die tamme Kissingerhaai van hem, die kunnen er nog heel wat slagroom van kloppen. Maar de werkelijkheid is dat de Marxisten al lang en breed als verliezers op hun schroothoop zitten. Het enige wat ons kan gebeuren is dat we aan onszelf te gronde gaan. Aan de innerlijke tegenstrijdigheden van ons verdomde liberalisme. Aan onze op hol geslagen jongeren. Aan de, hoe heet ze ook weer, de Irmgard Konopka’s. Die uit een verkeerd begrepen schuldgevoel de vruchten van onze overwinning te grabbel willen gooien. Die ons, als ze ons niet kunnen verkopen aan de Ruskies, godverdomme cadeau zullen doen aan de Palestijnen. En aan de Tupamaro’s en alle andere verdomde terroristen van deze wereld.’
‘Ach du Lieber,’ zei Boot-Jürgens ironisch.
‘Ja, jij lacht. Maar het is ernst. En dat met de hulp van alle linkse flutintellectuelen die nog nooit een situatie goed hebben getaxeerd. En van de Willy Brandts van deze wereld. Die altijd bereid zijn om ze uit solidariteit, of uit precies hetzelfde verkeerd begrepen schuldgevoel, de hand boven het hoofd te houden.’
‘Aha.’
‘Niet dan?’
‘Maar wat wilt u?’ zei Boot-Jürgens, die politicus genoeg was om te weten dat Franz Josef Strauss er de man niet naar was om zijn kruit te verschieten met losse flodders.
‘Wat ik wil, wat ik wil, is wat er gebeuren moet. Dat er duidelijk wordt wat er aan de hand is.’ Hij klopte met zijn wijsvinger op het tafelblad. ‘We moeten de situatie verhelderen, mijn vriend. Zodat iedereen kan zien hoe de vork aan de steel zit. Zodat Brandt gedwongen wordt de kaarten op tafel te leggen.’
Boot-Jürgens keek bedenkelijk.
‘En dat moet in Berlijn gebeuren?’
‘Dat maakt niet uit, ‘ zei Strauss. ‘In Berlijn. Of ergens anders. Als het maar gebeurt. Als er maar duidelijkheid wordt geschapen.’


vrijdag 15 juli 2022

5. Berlijn, Gierkeplatz


Zulke risico´s!  
Hij had geprobeerd te sturen. Zich uit de gevarenzone te manoeuvreren. Maar Strauss was er de man niet naar om zich te laten sturen.
‘Berlijn!’ zei hij. En hij zweeg. Hij boog zijn boerse rode kop over zijn bierpul en stulpte zijn wellustige, berekenende lippen over de schuimkop. Zijn onbehouwen gestalte, zo grof gebouwd dat het kostuum dat hij aan had aan alle kanten uitstak alsof het gekocht was in een tweedehands klerenwinkel. ‘Berlijn, wat een schijtstad!’
Boot-Jürgens boog zich bedachtzaam over het borrelglaasje dat hij had laten aanrukken, en schepte de suiker in zijn schnaps om met het elegante zilveren lepeltje. Strauss likte, toen hij zijn glas half leeg had gedronken zijn lippen af, en zette de bierpul op de bar met een klap die de barkeeper even zijn kant op deed kijken.
‘Je weet wat ze in München zeggen?’
‘Mmm?’
‘Ze zeggen, als het westen de oorlog verliest, gebeurt dat hier.’
‘Tuttut.’
Strauss lachte hard. ’Gelul natuurlijk,’ zei hij tevreden. ‘Het westen kan deze oorlog niet verliezen. Die lui in het oosten, de Lenin-brigade, ze weten het nog niet, maar hun tijd is voorbij. Wij weten dat wel, nietwaar. Als ze ooit de kans hebben gehad de zaak in hun voordeel te beslechten, dan was dat in de jaren vijftig. Toen ze het momentum van de geschiedenis aan hun kant hadden…’ Hij dronk zijn glas leeg, en keek naar de barkeeper. Die hield al een nieuw glas onder de tap.


donderdag 14 juli 2022

4. Berlijn, Gierkeplatz


Ongemerkt heeft Boot-Jürgens’ wandeling hem naar de karpervijver gebracht. Vanaf de brug heb je een mooi uitzicht op het Schloss, maar hij heeft geen belangstelling voor het bouwwerk, dat na al die jaren voor hem niet meer is dan straatmeubilair. Hij kijkt peinzend over de brugleuning in het water, waar de grauwgouden karperlijven met een majestueuze plompheid door het water bewegen. Het handwerk van de politiek, denkt hij. Zo aantrekkelijk. Maar ook, als het er op aan komt, zo verdomd gevaarlijk. En zo slecht.
Zo door en door verdorven.
Het is vrijdag. Gisteravond heeft hij, de avond voor de opening van het CDU-congres, gegeten met Franz Josef Strauss, de man van de CSU, de Beierse zusterpartij. Die hij haat, om zijn geverfde haren, om zijn zelfingenomen babymond, om zijn soms onverstaanbare Beierse accent. Na de maaltijd, die nogal uitliep, waren ze op voorstel van Strauss naar een nachtclub gegaan om nog wat te drinken. In de club was Strauss met de boerenplompheid die hem eigen was vrijwel onmiddellijk ter zake gekomen. ‘Gisteren naar het Kremlin, morgen naar Warschau,’ zei hij. ‘Herr Brandt maakt korte metten. Hij doet de politieke manoeuvreerruimte van de Bondsrepubliek in de uitverkoop. Alsof er overmorgen geen Bondsrepubliek meer is.’
Boot-Jürgens, op zijn hoede, knikte bedachtzaam.
‘Of denk jij er anders over?’
‘Hij gaat zeker voortvarend te werk.’
‘Hij is een oplichter,’ zei Strauss. ‘Daar zijn we het over eens. Een zwendelaar. Verslaafd aan zijn rol op het wereldtoneel. Hooked. Zo totaal hooked dat hij nergens meer voor terugdeinst.’
Boot-Jürgens glimlachte om het anglicisme uit dat Zuid-Duitse mondje. Maar Strauss merkte het niet, of wilde het niet merken. ‘Vrijheid en democratie,’ zei hij. ‘En nu is hij begonnen met de uitverkoop van onze belangen in Oost-Europa. Terwijl op het binnenlands front het extremisme hoogtij viert.’ Hij keek hem fronsend aan, en na dit bruggetje leidde hij het gesprek rechtstreeks naar politieaangelegenheden. ‘Jij hebt toch connecties in Wiesbaden?’ vroeg hij. ‘De Federale Recherche?’
Boot-Jürgens knikte stijfjes. ‘Het Bundeskriminalamt.’
‘Het BKA. Je bent voorzitter van een of andere commissie van toezicht. Of wat is het?’
‘Het Kriminalamt is een onafhankelijke organisatie.’
‘Natuurlijk, natuurlijk.’ Strauss lachte korrelig. ‘De scheiding van machten. We leven in een democratie, mijn waarde.’ Hij hijgde, met zesenvijftig al behoorlijk kortademig. ‘Maar het Kriminalamt heeft een verantwoordelijkheid. Voor de openbare orde. Nietwaar? En een taak op het gebied van. De coördinatie van terrorismebestrijding.’
‘Terrorismebestrijding?’
‘Of hoe heet het?’
‘Niet formeel,’ had Boot-Jürgens gezegd. Zuinig.
‘Bonn.’
‘Bonn?’
‘We hebben daar Fischler zitten toch, met dat nieuwe bureau.’
‘Fischler?’
‘Adalbert Fischler.’
‘Ah, de Sicherungsgruppe.’
‘Hoe het ook heet.’
‘U bent op de hoogte.’
Strauss keek Boot-Jurgens sluw aan.
‘En je hebt natuurlijk ook de speciale commando’s,’ ging hij verder.
‘U bedoelt…?’
‘Sectie Vier,’ zei hij. ‘Ga me nou niet vertellen dat jij dat niet weet.’
‘Sectie vier bestaat niet meer.’


woensdag 13 juli 2022

3. Berlijn, Gierkeplatz

[Wat voorafging]

Zijn wereld, in wezen interesseert die haar niet eens. Het is haar wereld niet. Ha. De wereld van vrouwen. Zo anders dan die van mannen. Zo langs andere lijnen. De laatste dagen is er steeds iets van irritatie in de lucht. Eigenlijk al sinds hij haar heeft voorgesteld om na het congres een weekend door te brengen in Parijs. Boot-Jürgens heeft iets met Parijs. Hij is in de oorlog anderhalf jaar in Frankrijk geweest en spreekt goed Frans. Hun dochter Elspeth is in Parijs aan de Duitse ambassade verbonden. Ze kunnen bij haar logeren, een of twee tentoonstellingen bezoeken, het Louvre, en op zaterdagavond misschien naar de schouwburg. Maar Lise hield de boot af, en gisteren heeft ze zijn voorstel definitief naar de prullenbak verwezen. Onder het voorwendsel dat ze de zaterdagavond heeft beloofd aan kapelaan Greve.

Misschien is het Elspeth. Lise en zij hebben een merkwaardig koele moederdochterrelatie. Ondoorgrondelijk, zoals die relaties meestal zijn. Heel anders dan… Zijn gedachten stokken even. Een vaderzoonrelatie. Die hij nooit gehad heeft. Die hij is kwijtgeraakt. Waarvan hij nooit de vruchten heeft geplukt. Die hem eigenlijk is ontglipt. Die hem is ontnomen.
Vrouwen zijn…
Minder betrouwbaar, denkt hij. Wispelturiger. Machiavellistischer, moet je misschien zeggen. Het komt door hun rol van underdog. Dat is hun rol. Nooit de upperdog. Altijd de underdog. Altijd gedwongen langs een omweg hun doel te bereiken. Het is hun tweede natuur. Ze weten het zelf niet eens. Maar de waarnemer, de objectieve waarnemer, kan het onmogelijk ontgaan. Ook al is het onmogelijk om de wegen te begrijpen waar zij wandelen. Maar hij was gekwetst door de manier waarop Lise zijn plannen had gedwarsboomd. Van de weeromstuit had hij besloten de vrijdagavond en nacht door te brengen bij zijn minnares in Dahlem. Leonore Tiefgens. Dát is een vrouw. Zijn gedachten glippen in een ander spoor. Een begaafde vrouw. Een hoogbegaafde, jonge, en temperamentvolle vrouw. Een veelgeroemde binnenhuisarchitecte. Ergens voor in de jaren zestig heeft hij haar ontmoet. Via Lise nota bene. Hij heeft er tegen geen van beide vrouwen ooit met een woord over gesproken, maar het is niet ondenkbaar dat de hele affaire door Lise zelf zo is bekokstoofd. Nee, nee, hij schudt het hoofd. Of toch? In ieder geval toonde ze geen spoor van gekwetstheid, of zelfs verbazing, toen hij begon van tijd tot tijd de nacht bij Leonore door te brengen. Nog haarscherp op zijn netvlies heeft hij de eerste keer dat hij op bestudeerd nonchalante manier zijn excuus naar voren bracht. ‘Ik slaap vannacht niet thuis, lieverd. Ik moet met een delegatie van de partij naar Bremen; morgenavond weer terug.’ Ze gaf met een karakteristiek handgebaar te kennen dat het goed was. Dat hij zich niet hoefde te vernederen met verklaringen? Lise is, en dat is niet de enige opmerkelijke tegenstrijdigheid in haar karakter, behalve een vrome, bijna bigotte katholiek, zonder enige twijfel ook een vrouw van de wereld.


dinsdag 12 juli 2022

2. Berlijn, Gierkeplatz

[Wat voorafging] 

Het Schlosspark is het park van Charlottenburg, tien minuten lopen van hun comfortabele woning aan de Gierkeplatz, en het gebruikelijke doel van Boot-Jürgens dagelijkse wandeling. Alle straten, alle paden bekend als zijn broekzak. Afgestemd op het bedaarde tempo dat hij er al meer dan twintig jaar op na houdt. Het is hier rustig op maandagmiddag. Een rust die hem goed uitkomt. Wat hij heeft te overdenken is niet zijn speech, een standaardverhaal dat door een van de partijmedewerkers voor hem in elkaar is gedraaid. Er zijn andere zaken. Boot-Jürgens is geërgerd. Hij heeft het gevoel dat Lise niet achter hem staat. Hem zelfs op een subtiele, ondoorgrondelijke manier tegenwerkt. Mijn verantwoordelijkheden, denkt hij. Mijn positie. Weet zij veel. Dat hij adviseur is van het landelijk bestuur van het CDU, ja. Een positie, daar heeft ze gelijk aan. Maar bij god, Reiss. Dat heeft daar toch helemaal niets mee te maken. Reiss is trouwens al lang niet meer de voorzitter van de werkgevers. Hij is zelfs geen prominente persoonlijkheid. Reiss, dat is iemand die de boot heeft gemist. Iemand die onder de trein is gekomen. Onder de trein van de tijd. Uitgerangeerd. Zo kun je het ook zeggen. Ergerlijk is dat, de moeite die hij soms heeft om een geschikte uitdrukking te vinden. Het zijn de jaren. Die aan hem knagen.

Even laat hij zijn gedachten uitweiden over Reiss. Die een nazi is. Is geweest, en nog steeds is. Tot in de kist. Een nazi. Wat hij zelf niet is. Dat is vastgesteld. Al lang geleden. In ‘45. Door de Ammi’s. Geen nazi. Geen vuile handen. Ticket voor de toekomst. Onbezwaard. Zijn problemen zijn andere problemen. Zaken waarbij Lise zich onmogelijk iets kan voorstellen. In de kooi van haar illusies, mijlenver verwijderd van het handwerk, van het echte handwerk van de politiek. Van het taxeren en het manoeuvreren. En het dealen, dat nodig is. Dat zo aantrekkelijk is, maar ook, als het er op aan komt, zo verdomd gevaarlijk.

maandag 11 juli 2022

1. Berlijn, Gierkeplatz

Vrijdag 9 oktober 1970. Berlijn. We zijn in de woning aan de Gierkeplatz van Rudolf Otto Boot-Jürgens. Professor Doktor. Emeritus. Boot-Jürgens is een goed geconserveerde zeventiger met een welige bos zilvergrijs haar. Hij zit voor een spiegel en is bezig met een pincet de neusharen te verwijderen die de laatste jaren met een aanstootgevend vertoon van valse levenskracht uit zijn neusgaten spruiten. Achter hem staat zijn vrouw, Trude-Lise, die hem via de spiegel een rouwkaart voorhoudt, een dubbelgevouwen blad van gemarmerd papier, met een klerikale rand paars.
‘Reiss is dood,’ zegt ze.
‘Hmhm.’
‘Reiss, Georg Reiss. Je weet toch wel. De voorzitter van de werkgevers.’ Trude-Lise aarzelt even, alsof ze het niet meer zeker weet.
‘Ja, ja, ik weet het.’
‘Hij was toch een vriend van je?’
‘Een vriend…’ Boot-Jürgens maakt een relativerend geluid. Achter zijn schouders ziet hij Lise’s bezorgde gezicht opduiken. Haar ogen zwarte kraters in de ruïne van haar gezicht. ‘We hebben sinds de oorlog vrijwel geen contact gehad,’ zegt hij.
‘We kregen de rouwkaart.’
Boot-Jürgens tuit zijn lippen. ‘Híj heeft ze niet rondgestuurd.’
‘Hij was hoe dan ook een prominente persoonlijkheid.’
Haar woordkeus stoort hem. ‘Hij was een ex-nazi,’ zegt hij geërgerd.
‘We zullen in ieder geval naar de uitvaart moeten.’
Boot-Jürgens snuift minachtend.
‘Je bent niet van plan je te laten zien?’
Hij kijkt in de spiegel of zijn das goed zit. Hij taxeert nog een keer zijn knappe, gebruinde gezicht. Zijn taxerende ogen.
‘Nee,’ zegt hij korzelig.
Ze gaat zitten in het witte stoeltje voor haar eigen kaptafel, en steekt een sigaret op. Nog zo’n gewoonte die hem ergert. Zelf heeft hij het roken er ergens in de jaren vijftig aangegeven.
‘Jij schijnt te vergeten…’ zegt ze voorzichtig.
‘Wat?’
Ze haalt haar schouders op. ‘Niets.’
‘Wat schijn ik te vergeten?’
‘Je moet aan je verantwoordelijkheden denken.’
‘Mijn verantwoordelijkheden…’
‘Je positie…’ Ze denkt even na, schat de situatie in. ‘Je positie brengt nu eenmaal dit soort verplichtingen met zich mee,’ zegt ze dan precieus.
‘Mijn positie brengt niets met zich mee,’ zegt hij kortaf.
‘Wat heb je?’
‘Niets.’
Hij draait zich om en loopt naar de deur.
‘Wat ga je doen?’
‘Een eindje wandelen,’ zegt hij. ‘Nadenken over mijn speech.’
‘Als je de tijd maar niet vergeet.’
‘Het is nog geen vier uur.’
‘We eten vandaag om halfzes.’
‘Ja. ja.’
Hij heeft daar zelf op aangedrongen. Hij moet vanavond spreken, op het grote Oost-Europacongres dat de CDU organiseert van 9 tot 12 oktober. Zijn speech is gepland voor 9 uur. Maar hij wil bij dit soort aangelegenheden, in verband met zijn spijsvertering, altijd graag op tijd eten.
‘Ik loop alleen even door het Schlosspark,’ zegt hij. ‘Ik ben terug voor vijf uur, zodat we nog iets kunnen drinken.’

414. Epiloog

  [ Wat voorafging] Het is rond deze tijd dat Norbert Gutschein, als hij op zijn gewone tijd op het kantoor verschijnt, in de gang Gerda Pfa...