donderdag 14 juli 2022

4. Berlijn, Gierkeplatz


Ongemerkt heeft Boot-Jürgens’ wandeling hem naar de karpervijver gebracht. Vanaf de brug heb je een mooi uitzicht op het Schloss, maar hij heeft geen belangstelling voor het bouwwerk, dat na al die jaren voor hem niet meer is dan straatmeubilair. Hij kijkt peinzend over de brugleuning in het water, waar de grauwgouden karperlijven met een majestueuze plompheid door het water bewegen. Het handwerk van de politiek, denkt hij. Zo aantrekkelijk. Maar ook, als het er op aan komt, zo verdomd gevaarlijk. En zo slecht.
Zo door en door verdorven.
Het is vrijdag. Gisteravond heeft hij, de avond voor de opening van het CDU-congres, gegeten met Franz Josef Strauss, de man van de CSU, de Beierse zusterpartij. Die hij haat, om zijn geverfde haren, om zijn zelfingenomen babymond, om zijn soms onverstaanbare Beierse accent. Na de maaltijd, die nogal uitliep, waren ze op voorstel van Strauss naar een nachtclub gegaan om nog wat te drinken. In de club was Strauss met de boerenplompheid die hem eigen was vrijwel onmiddellijk ter zake gekomen. ‘Gisteren naar het Kremlin, morgen naar Warschau,’ zei hij. ‘Herr Brandt maakt korte metten. Hij doet de politieke manoeuvreerruimte van de Bondsrepubliek in de uitverkoop. Alsof er overmorgen geen Bondsrepubliek meer is.’
Boot-Jürgens, op zijn hoede, knikte bedachtzaam.
‘Of denk jij er anders over?’
‘Hij gaat zeker voortvarend te werk.’
‘Hij is een oplichter,’ zei Strauss. ‘Daar zijn we het over eens. Een zwendelaar. Verslaafd aan zijn rol op het wereldtoneel. Hooked. Zo totaal hooked dat hij nergens meer voor terugdeinst.’
Boot-Jürgens glimlachte om het anglicisme uit dat Zuid-Duitse mondje. Maar Strauss merkte het niet, of wilde het niet merken. ‘Vrijheid en democratie,’ zei hij. ‘En nu is hij begonnen met de uitverkoop van onze belangen in Oost-Europa. Terwijl op het binnenlands front het extremisme hoogtij viert.’ Hij keek hem fronsend aan, en na dit bruggetje leidde hij het gesprek rechtstreeks naar politieaangelegenheden. ‘Jij hebt toch connecties in Wiesbaden?’ vroeg hij. ‘De Federale Recherche?’
Boot-Jürgens knikte stijfjes. ‘Het Bundeskriminalamt.’
‘Het BKA. Je bent voorzitter van een of andere commissie van toezicht. Of wat is het?’
‘Het Kriminalamt is een onafhankelijke organisatie.’
‘Natuurlijk, natuurlijk.’ Strauss lachte korrelig. ‘De scheiding van machten. We leven in een democratie, mijn waarde.’ Hij hijgde, met zesenvijftig al behoorlijk kortademig. ‘Maar het Kriminalamt heeft een verantwoordelijkheid. Voor de openbare orde. Nietwaar? En een taak op het gebied van. De coördinatie van terrorismebestrijding.’
‘Terrorismebestrijding?’
‘Of hoe heet het?’
‘Niet formeel,’ had Boot-Jürgens gezegd. Zuinig.
‘Bonn.’
‘Bonn?’
‘We hebben daar Fischler zitten toch, met dat nieuwe bureau.’
‘Fischler?’
‘Adalbert Fischler.’
‘Ah, de Sicherungsgruppe.’
‘Hoe het ook heet.’
‘U bent op de hoogte.’
Strauss keek Boot-Jurgens sluw aan.
‘En je hebt natuurlijk ook de speciale commando’s,’ ging hij verder.
‘U bedoelt…?’
‘Sectie Vier,’ zei hij. ‘Ga me nou niet vertellen dat jij dat niet weet.’
‘Sectie vier bestaat niet meer.’


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

414. Epiloog

  [ Wat voorafging] Het is rond deze tijd dat Norbert Gutschein, als hij op zijn gewone tijd op het kantoor verschijnt, in de gang Gerda Pfa...