De volgende ochtend begint euforisch. Penny is vroeg opgestaan en heeft om half negen de tafel gedekt met cornflakes en yoghurt, melk en warme broodjes. Ze heeft eieren gekookt. De keuken is dampig en geurig. Irmgard en Magda hebben goed geslapen en zijn allebei wakker geworden met het gevoel een prachtige droom te hebben gedroomd. Op een of andere manier lijkt Penny de belichaming van die droom, zoals ze hen glimlachend zit op te wachten.
Voor Irmgard Konopka lijkt de illegaliteit heel ver weg. Ze steekt een van haar onafscheidelijke gauloise-sigaretten op en inhaleert diep.
‘Jullie hebben hier een echte idylle,’ zegt ze.
‘Het is maar heel gewoon Mülheim,’ zegt Magda.
‘Nou, dat moet je niet zeggen,’ werpt Penny tegen. ‘Mülheim is best bijzonder.’
‘Ik kijk er naar uit de vrouwen te ontmoeten die hier actief zijn,’ zegt Konopka. ‘Sophie is een schat.’
‘Ja he.’
Konopka inhaleert en bekijkt haar sigaret. ‘Maar ik vraag me af,’ zegt ze, ‘heeft ze het soms moeilijk?’
‘Sophie?’ zegt Magda verbaasd.
Maar Irmgard haalt haar schouders op. Ze drukt haar sigaret uit op een schoteltje.
‘Wat gaan we doen,’ zegt Penny. ‘We zouden….’
Maar Konopka onderbreekt haar. ‘Het spijt me,’ zegt ze. ‘Ik heb dingen te doen. Ik moet bellen.’
‘Je kunt hier van de telefoon gebruik maken,’ zegt Magda.
Konopka schudt het hoofd. ‘Nee, nee,’ zegt ze.
Magda en Penny kijken elkaar aan. ‘Er is een telefooncel in het winkelcentrum,’ zegt Penny. ‘Ik loop wel met je mee.’
Maar ook dat aanbod slaat Irmgard Konopka af. Ze laat zich uitleggen hoe ze naar het winkelcentrum moet lopen, en om half elf gaat ze de deur uit, om op het eerste afgesproken tijdstip naar Berlijn te bellen.
woensdag 30 november 2022
dinsdag 29 november 2022
142. Teorema
[Wat voorafging]
Penny staat veel dichter bij het echte, bestaande verzet dan Sophie of zijzelf. En dan de meeste andere vrouwen in Mülheim. Daar hoef je niet aan te twijfelen. Magda kijkt dan ook met angst en vreze uit naar de donderdag.
Of Irmgard daar iets van merkt? Het is niet goed uit te maken. Ze is nog steeds zo moeilijk te doorgronden! Wat dat betreft is ze dezelfde gebleven die ze altijd was . In andere opzichten is ze sterk veranderd, denkt Magda. Niet alleen door het in pieken geknipte, blondgeverfde haar dat haar gezicht magerder maakt en op de een of andere manier ook grimmiger. De grimmigheid zit ook dieper in haar. In haar gedecideerde gebaren, in de manier waarop ze loopt, waarop ze gaat zitten. In de dingen die ze zegt. Penny valt dat natuurlijk niet op. Maar het is zo. Als Sophie, op de avond van de dag dat Irmgard in Mülheim is komen opdagen, aan de deur komt, is Irmgard allervriendelijkst en ze windt haar, in haar rol van Sabine Mehling, in een ommezien om haar vinger. Maar de grimmigheid, je zou bijna zeggen de achterdocht, in haar houding blijft merkbaar, en aan Sophie ontgaat dat niet. Als die doorvraagt over wie ze is - Magda heeft het nog nooit over een Sabine gehad. Is ze soms een kennis uit Hamburg? - raakt Irmgard van haar stuk. Ze begint zich in zichzelf terug te trekken.
‘Nee,’ zegt Magda, ‘nee natuurlijk niet. Sabine, dat is de naam waarbij we haar moeten noemen. Kijk nog eens goed. Zie je echt niet wie ze is?’
Sophie kijkt, en haar toch altijd al bleke gezicht wordt nog een graadje bleker. Ze deinst letterlijk terug, wat Irmgard een pijnlijk lachje ontlokt. Maar Sophie heeft zich snel weer onder controle. Ze geeft Konopka een hand en trekt haar naar zich toe om haar voorzichtig te kussen.
‘Het spijt me,’ zegt ze.
‘Het is goed, lieverd,’ zegt Konopka. ‘Maar denk er aan. Het is Sabine. Alleen Sabine.’
‘We vieren het,’ roept Penny uitbundig. Ze heeft zich al een vaste plek verworven aan Konopka’s zijde, maar nu springt ze overeind om uit de koelkast een fles van de witte wijn te halen die Magda altijd in voorraad heeft.
Ze maken het gezellig. En Penny rookt marihuana, en heeft het hoogste woord en is welsprekend over activisme en progressiviteit. Zelf zegt Irmgard Konopka niet veel. Misschien is het de vermoeidheid van een half jaar illegaliteit, die zich uit. Tegen twaalf uur kijkt Sophie op haar horloge en komt haastig overeind. Na haar vertrek gaan ook Irmgard en Penny en Magda zelf naar bed.
Irmgard slaapt op de gastenkamer, tegenover de kamer van Magda en naast die van Penny.
Penny staat veel dichter bij het echte, bestaande verzet dan Sophie of zijzelf. En dan de meeste andere vrouwen in Mülheim. Daar hoef je niet aan te twijfelen. Magda kijkt dan ook met angst en vreze uit naar de donderdag.
Of Irmgard daar iets van merkt? Het is niet goed uit te maken. Ze is nog steeds zo moeilijk te doorgronden! Wat dat betreft is ze dezelfde gebleven die ze altijd was . In andere opzichten is ze sterk veranderd, denkt Magda. Niet alleen door het in pieken geknipte, blondgeverfde haar dat haar gezicht magerder maakt en op de een of andere manier ook grimmiger. De grimmigheid zit ook dieper in haar. In haar gedecideerde gebaren, in de manier waarop ze loopt, waarop ze gaat zitten. In de dingen die ze zegt. Penny valt dat natuurlijk niet op. Maar het is zo. Als Sophie, op de avond van de dag dat Irmgard in Mülheim is komen opdagen, aan de deur komt, is Irmgard allervriendelijkst en ze windt haar, in haar rol van Sabine Mehling, in een ommezien om haar vinger. Maar de grimmigheid, je zou bijna zeggen de achterdocht, in haar houding blijft merkbaar, en aan Sophie ontgaat dat niet. Als die doorvraagt over wie ze is - Magda heeft het nog nooit over een Sabine gehad. Is ze soms een kennis uit Hamburg? - raakt Irmgard van haar stuk. Ze begint zich in zichzelf terug te trekken.
‘Nee,’ zegt Magda, ‘nee natuurlijk niet. Sabine, dat is de naam waarbij we haar moeten noemen. Kijk nog eens goed. Zie je echt niet wie ze is?’
Sophie kijkt, en haar toch altijd al bleke gezicht wordt nog een graadje bleker. Ze deinst letterlijk terug, wat Irmgard een pijnlijk lachje ontlokt. Maar Sophie heeft zich snel weer onder controle. Ze geeft Konopka een hand en trekt haar naar zich toe om haar voorzichtig te kussen.
‘Het spijt me,’ zegt ze.
‘Het is goed, lieverd,’ zegt Konopka. ‘Maar denk er aan. Het is Sabine. Alleen Sabine.’
‘We vieren het,’ roept Penny uitbundig. Ze heeft zich al een vaste plek verworven aan Konopka’s zijde, maar nu springt ze overeind om uit de koelkast een fles van de witte wijn te halen die Magda altijd in voorraad heeft.
Ze maken het gezellig. En Penny rookt marihuana, en heeft het hoogste woord en is welsprekend over activisme en progressiviteit. Zelf zegt Irmgard Konopka niet veel. Misschien is het de vermoeidheid van een half jaar illegaliteit, die zich uit. Tegen twaalf uur kijkt Sophie op haar horloge en komt haastig overeind. Na haar vertrek gaan ook Irmgard en Penny en Magda zelf naar bed.
Irmgard slaapt op de gastenkamer, tegenover de kamer van Magda en naast die van Penny.
maandag 28 november 2022
141. Teorema
[Wat voorafging]
Dat is haar leven, denkt Magda. Bescheiden, met bescheiden genoegens, en bescheiden teleurstellingen. Menselijk, maar bepaald niet op een echt hoog plan van menselijkheid. Maar nu is plotseling Irmgard Konopka komen opdagen. Sinds haar scheiding heeft Magda niet meer veel contact gehad met de journaliste. Daar was een beetje de klad in gekomen. Eigenlijk al vóór Emmerich en zij uit elkaar gingen. De reden was natuurlijk dat Irmgard hoe langer hoe meer een belangrijk persoon werd. Ze schreef nu niet alleen voor Gerade Nun, maar ook voor grote landelijke tijdschriften als Der Spiegel. Ze had een radioprogramma, en was regelmatig op de televisie te zien. Ze had zelfs een televisiefilm gemaakt, een film over het leven van meisjes die in internaten waren geplaatst. Maar die was zo kritisch uitgevallen dat hij nooit is uitgezonden.
Dat is haar leven, denkt Magda. Bescheiden, met bescheiden genoegens, en bescheiden teleurstellingen. Menselijk, maar bepaald niet op een echt hoog plan van menselijkheid. Maar nu is plotseling Irmgard Konopka komen opdagen. Sinds haar scheiding heeft Magda niet meer veel contact gehad met de journaliste. Daar was een beetje de klad in gekomen. Eigenlijk al vóór Emmerich en zij uit elkaar gingen. De reden was natuurlijk dat Irmgard hoe langer hoe meer een belangrijk persoon werd. Ze schreef nu niet alleen voor Gerade Nun, maar ook voor grote landelijke tijdschriften als Der Spiegel. Ze had een radioprogramma, en was regelmatig op de televisie te zien. Ze had zelfs een televisiefilm gemaakt, een film over het leven van meisjes die in internaten waren geplaatst. Maar die was zo kritisch uitgevallen dat hij nooit is uitgezonden.
De contacten die Magda nog met Irmgard had, zijn na het voorjaar van ‘67 eigenlijk alleen schriftelijk. Tot in de winter van dat jaar hadden ze met enige regelmaat briefcontact. Irmgard steunde haar in wat ze haar politieke ontwikkeling noemde, en had ook tips die van groot nut waren toen ze begon in Mülheim een vrouwenbeweging van de grond te brengen. Maar haar antwoorden op Magda’s uitgebreide epistels werden korter en korter, en na enige tijd ontving Magda alleen nog maar zo nu en dan een kaartje, soms uit exotische plaatsen. Uit wat er in de pers over Konopka werd gemeld, maakte ze op dat haar vriendin meer en meer radicaliseerde. In april ‘68 had ze zich sterk gemaakt voor Christian Staüberle en Eva Richter, die brand hadden gesticht in een warenhuis in Frankfurt. Het beroemde zinnetje over de progressiviteit van de daad, die lag in het criminele karakter ervan, in het feit dat de wet werd overtreden. Daar werd in Mülheim nog op menige donderdagavond op teruggekomen. Later, in de nazomer van ‘68 en in het voorjaar van 1969 kreeg Magda ansichtkaarten uit Italië. Irmgard logeerde bij een linkse Italiaanse uitgever, van wie werd gezegd dat hij ook Staüberle en Richter wel eens onderdak had verleend.
Toen Irmgard in mei van dit jaar betrokken raakte bij de ontsnapping uit de gevangenis van Christian Staüberle en moest onderduiken, was dat in Mülheim een schok. ‘Maar Irmgard Konopka is toch geen terroriste!’ zei een van de vrouwen ontsteld, toen het bekend werd.
‘Het is haar eigen keuze,’ hield Magda tegen beter weten in vol. Ze haalde nog aan wat Irmgard ooit tegen haar had gezegd: ‘Verzet is als je een eind wilt maken aan wat je niet acceptabel vindt.’
‘Maar verzet is niet hetzelfde als terrorisme,’ hield de vrouw vol.
‘Ze is subversief,’ bracht Penny in het midden. ‘Subversief, dat is iets heel anders dan terroristisch. Subversief is goed. Want we moeten omverwerpen wat we niet acceptabel vinden.’
Toen Irmgard in mei van dit jaar betrokken raakte bij de ontsnapping uit de gevangenis van Christian Staüberle en moest onderduiken, was dat in Mülheim een schok. ‘Maar Irmgard Konopka is toch geen terroriste!’ zei een van de vrouwen ontsteld, toen het bekend werd.
‘Het is haar eigen keuze,’ hield Magda tegen beter weten in vol. Ze haalde nog aan wat Irmgard ooit tegen haar had gezegd: ‘Verzet is als je een eind wilt maken aan wat je niet acceptabel vindt.’
‘Maar verzet is niet hetzelfde als terrorisme,’ hield de vrouw vol.
‘Ze is subversief,’ bracht Penny in het midden. ‘Subversief, dat is iets heel anders dan terroristisch. Subversief is goed. Want we moeten omverwerpen wat we niet acceptabel vinden.’
zondag 27 november 2022
140. Sophie
Sophie is al die tijd een belangrijke steunpilaar geweest. Ze laat zelden of nooit verstek gaan, en dat mag wel een wonder heten, met een man die een drukke baan heeft en twee opgroeiende jongens. En dan kwakkelt ze ook nog met haar gezondheid. Bloedarmoede, een familiekwaal. Haar vader had er ook last van. Ze praat erover op een heel luchtige toon, maar het is wel zo ernstig dat ze zo nu en dan flauwvalt. En ongelukjes heeft, waarna ze onder de blauwe plekken zit. Maar op donderdag is ze altijd present. Soms een beetje beschaamd, als ze weer eens is gevallen, maar steeds even vriendelijk en goedwillend. En eerlijk gezegd, zonder haar was de kinderopvang geen lang leven beschoren geweest, want het gebeurt, in deze tijd dat steeds meer moeders er een parttime baan op na houden, nogal eens dat er iemand staat ingeroosterd die verstek laat gaan.
Maar naast Sophie is er natuurlijk ook altijd nog Penny, het enige meisje van de studentenvrouwenwerkgroep dat het heeft volgehouden tot na de kerst van 1967. Penny is net als Sophie een vaste waarde in de vrouwenbeweging van Mülheim en Magda is echt erg op haar gesteld. Jammer is alleen dat Sophie en Penny het niet erg goed kunnen vinden. Penny kan wel eens heel kattig zijn tegen Sophie, en Sophie negeert Penny soms opzichtig. Het is duidelijk een geval van onverenigbaarheid van karakters, denkt Magda, en ze kan zich daar wel iets bij voorstellen. Penny is lichtzinnig, en slordig. En ze rookt, en niet alleen tabak. En Sophie is vooral het laatste jaar echt een beetje zwaar op de hand.
Maar naast Sophie is er natuurlijk ook altijd nog Penny, het enige meisje van de studentenvrouwenwerkgroep dat het heeft volgehouden tot na de kerst van 1967. Penny is net als Sophie een vaste waarde in de vrouwenbeweging van Mülheim en Magda is echt erg op haar gesteld. Jammer is alleen dat Sophie en Penny het niet erg goed kunnen vinden. Penny kan wel eens heel kattig zijn tegen Sophie, en Sophie negeert Penny soms opzichtig. Het is duidelijk een geval van onverenigbaarheid van karakters, denkt Magda, en ze kan zich daar wel iets bij voorstellen. Penny is lichtzinnig, en slordig. En ze rookt, en niet alleen tabak. En Sophie is vooral het laatste jaar echt een beetje zwaar op de hand.
zaterdag 26 november 2022
139. Sophie
Die bevrijding gaf Magda in de volgende maanden vorm via een uitbarsting van activiteiten. Ze was veranderd, de laatste jaren. Dat was al begonnen in Hamburg. Irmgard Konopka had haar niet lang voor de scheiding geschreven dat ze echt een beetje begon te politiseren. Maar dat zag ze zelf niet zo. Ze had geleerd analytisch te denken. En ze wilde maatschappelijk bezig zijn, meer was het niet. En ze had tijd genoeg. Terwijl ze nog bezig waren het huis Am Kuhlendahl in te richten, begon ze met Sophie te van gedachten te wisselen over de vrouwenbeweging. Bestond dat ook, hier in het Ruhrgebied. Sophie knikte, aarzelend. Er waren hier wel vrouwen die politiek bewust waren. Maar een vrouwenraad of zoiets, nee, dat bestond hier niet. Er waren wel vrouwen die rondliepen met een plan om een Kinderladen op te richten. Niet veel later bracht Sophie haar met hen in contact. De vrouwen waren van goede wil, maar hun plannen waren vaag. Ze wisten eigenlijk niet eens precies wat een ‘kinderwinkel’ was.
In het voorjaar van ‘67 begonnen Magda en Sophie met het organiseren van donderdagse scholingsavonden, bij Magda aan huis. Toen dat vrouwen niet bijzonder bleek aan te trekken, werden de scholingsavonden discussieavonden, meestal aan de hand van een actueel thema, en soms met vertoning van dia’s, of zelfs een film. Een groot succes was ook dat niet, maar er ontstond een kerngroep van een stuk of tien vrouwen. De vaart kwam er pas echt in toen een studentenvrouwenwerkgroep uit Düsseldorf zich hun lot aantrok. Van september ‘67 bijna tot aan de kerst kwam er wekelijks een groep jonge meiden op de fiets uit Düsseldorf, die kwebbelend en lacherig kleur en fleur brachten in de Mülheimer vrouwenbeweging. Er werd een echte vrouwenraad opgericht. De discussieavonden werden een bescheiden trekpleister. En er meldden zich steeds meer jonge moeders die wel wilden helpen de Kinderladen van de grond te brengen.
In het voorjaar van ‘67 begonnen Magda en Sophie met het organiseren van donderdagse scholingsavonden, bij Magda aan huis. Toen dat vrouwen niet bijzonder bleek aan te trekken, werden de scholingsavonden discussieavonden, meestal aan de hand van een actueel thema, en soms met vertoning van dia’s, of zelfs een film. Een groot succes was ook dat niet, maar er ontstond een kerngroep van een stuk of tien vrouwen. De vaart kwam er pas echt in toen een studentenvrouwenwerkgroep uit Düsseldorf zich hun lot aantrok. Van september ‘67 bijna tot aan de kerst kwam er wekelijks een groep jonge meiden op de fiets uit Düsseldorf, die kwebbelend en lacherig kleur en fleur brachten in de Mülheimer vrouwenbeweging. Er werd een echte vrouwenraad opgericht. De discussieavonden werden een bescheiden trekpleister. En er meldden zich steeds meer jonge moeders die wel wilden helpen de Kinderladen van de grond te brengen.
vrijdag 25 november 2022
138. Sophie
Die eerste avond, alleen in het grote huis waar ze was geboren en opgegroeid, was een heel bijzondere ervaring. Magda zat, tussen de spullen die haar moeder had achtergelaten en haar eigen spullen die uit Hamburg waren aangevoerd, in haar zalige eentje witte wijn te drinken tot ze aardig aangeschoten was. Om tien uur ‘s avonds belde Sophie aan. De vrouwen vielen elkaar in de armen.
‘O Magda, du liebe, was ist passiert?’
Tot haar verbazing barstte ze uit in een stortvloed van tranen. Sophie hield het ook niet droog. Maar om elf uur zaten ze samen aan een tweede fles wijn en Magda vertelde honderduit. Grotendeels leugens, maar het waren zulke echte en zulke treurige leugens dat ze nog herhaaldelijk opnieuw in janken uitbarstten, en elkaar omarmden.
Op half twee ‘s nachts schrok Magda op. ‘We zijn gek,’ zei ze. ‘Dat kan toch helemaal niet. Jij moet thuis zijn. Je kinderen…’
‘Bernd en Ludi zijn negen en zeven,’ glimlachte Sophie. ‘Die slapen als rozen. En Hans-Peter is thuis.’
Wat dus eigenlijk ook een leugen was. Al waren de jongens thuis. En al sliepen ze als rozen. En al was Hans-Peter thuis. Maar van die leugen wist ze toen nog niets af.
De volgende dag stond Sophie om negen uur ‘s ochtends voor de deur.
‘Ik kom helpen,’ zei ze.
‘Maar de kinderen,’ zei Magda confuus.
‘Die zijn naar school. Hans-Peter is naar zijn werk. Ik heb niets te doen.’
‘Laten we dan de stad ingaan,’ zei Magda.
Het werd Düsseldorf, dat oneindig veel meer kansen bood dan Mülheim om de kooplust te bevredigen die haar plotseling had bevangen. Ze dronken koffie met gebak in het Continental-hotel, en doorkruisten daarna de Königsallee van voor tot achter en weer terug. Magda was zo gretig als een jong meisje en onder de verbaasde ogen van Sophie gaf ze meer dan duizend mark uit aan huisraad dat ze zich in Hamburg altijd had ontzegd, en daarnaast honderden marken aan modieuze kleding. Sophie werd door haar voorbeeld aangestoken en gaf ook een hoop geld uit, aan lentebloesjes en rokjes waar het weer - het was februari, druilerig en koud - totaal geen aanleiding toe gaf.
In de auto naar huis vroeg Sophie nieuwsgierig hoe het mogelijk was dat ze over zoveel geld beschikte. Emmerich had natuurlijk een goede baan, zei ze, maar wat voor regeling hadden ze eigenlijk getroffen bij de scheiding? Had hij toegestemd in zo’n royale alimentatie? Ze zweeg een ogenblik, verward door haar eigen vrijpostigheid, maar de gedachten bleven blijkbaar door haar hoofd racen. ‘Of waren ze rijk?’ Ze zei het met een spoor van wantrouwen. Blijkbaar was voor haar geestesoog even het beeld opgedoken van een corrupte politieambtenaar.
‘Nee, nee,’ antwoordde Magda, op een vreemde manier opgetogen. ‘Nee, dat is het niet. Weet je, ik vier mijn bevrijding.’
‘O Magda, du liebe, was ist passiert?’
Tot haar verbazing barstte ze uit in een stortvloed van tranen. Sophie hield het ook niet droog. Maar om elf uur zaten ze samen aan een tweede fles wijn en Magda vertelde honderduit. Grotendeels leugens, maar het waren zulke echte en zulke treurige leugens dat ze nog herhaaldelijk opnieuw in janken uitbarstten, en elkaar omarmden.
Op half twee ‘s nachts schrok Magda op. ‘We zijn gek,’ zei ze. ‘Dat kan toch helemaal niet. Jij moet thuis zijn. Je kinderen…’
‘Bernd en Ludi zijn negen en zeven,’ glimlachte Sophie. ‘Die slapen als rozen. En Hans-Peter is thuis.’
Wat dus eigenlijk ook een leugen was. Al waren de jongens thuis. En al sliepen ze als rozen. En al was Hans-Peter thuis. Maar van die leugen wist ze toen nog niets af.
De volgende dag stond Sophie om negen uur ‘s ochtends voor de deur.
‘Ik kom helpen,’ zei ze.
‘Maar de kinderen,’ zei Magda confuus.
‘Die zijn naar school. Hans-Peter is naar zijn werk. Ik heb niets te doen.’
‘Laten we dan de stad ingaan,’ zei Magda.
Het werd Düsseldorf, dat oneindig veel meer kansen bood dan Mülheim om de kooplust te bevredigen die haar plotseling had bevangen. Ze dronken koffie met gebak in het Continental-hotel, en doorkruisten daarna de Königsallee van voor tot achter en weer terug. Magda was zo gretig als een jong meisje en onder de verbaasde ogen van Sophie gaf ze meer dan duizend mark uit aan huisraad dat ze zich in Hamburg altijd had ontzegd, en daarnaast honderden marken aan modieuze kleding. Sophie werd door haar voorbeeld aangestoken en gaf ook een hoop geld uit, aan lentebloesjes en rokjes waar het weer - het was februari, druilerig en koud - totaal geen aanleiding toe gaf.
In de auto naar huis vroeg Sophie nieuwsgierig hoe het mogelijk was dat ze over zoveel geld beschikte. Emmerich had natuurlijk een goede baan, zei ze, maar wat voor regeling hadden ze eigenlijk getroffen bij de scheiding? Had hij toegestemd in zo’n royale alimentatie? Ze zweeg een ogenblik, verward door haar eigen vrijpostigheid, maar de gedachten bleven blijkbaar door haar hoofd racen. ‘Of waren ze rijk?’ Ze zei het met een spoor van wantrouwen. Blijkbaar was voor haar geestesoog even het beeld opgedoken van een corrupte politieambtenaar.
‘Nee, nee,’ antwoordde Magda, op een vreemde manier opgetogen. ‘Nee, dat is het niet. Weet je, ik vier mijn bevrijding.’
donderdag 24 november 2022
137. Sophie
Toen Magda in ‘47 trouwde met Emmerich Gerhard was Sophie hun bruidsmeisje, en ze kwam Magda regelmatig opzoeken op het appartement dat ze met Emmerich in Keulen bewoonde. Het contact overleefde Sophies puberteit. Magda bood haar sociale veiligheid. Ze werd voor haar een vertrouwenspersoon, en niet te vergeten een steun en toeverlaat bij het huiswerk, toen ze eenmaal op de middelbare school zat. Maar toen Magda en Emmerich verhuisden naar Hamburg verwaterde het contact. De eerste jaren schreven ze nog van tijd tot tijd. Later bleef het bij kaarten met kerstmis en bij verjaardagen. Sophie had toen al kennis aan Hans-Peter Dreyfuss, een jeugdliefde, met wie ze trouwde in ‘59. Naar Hamburg kwam ze nooit, en zelf ging Magda maar heel sporadisch naar Mülheim, om haar moeder op te zoeken, en als dat gebeurde was ze altijd samen met Emmerich.
Na haar scheiding van Emmerich in ‘67 veranderde alles. Emmerich en zij gingen zonder ruzie uit elkaar, waarschijnlijk allebei opgelucht. Ze liet, terwijl hij naar zijn werk was, een verhuisbedrijf komen, met een kleine verhuiswagen. Ze liet alleen de dingen inpakken die echt van haar waren, en die ze grotendeels twaalf jaar geleden al had meegenomen uit Keulen. Ze reed in haar eigen Ford Anglia voor de verhuiswagen uit naar het huis Am Kuhlendahl, waar haar moeder haar boeltje al gepakt had om te verhuizen naar het verzorgingshuis van haar keuze.
Na haar scheiding van Emmerich in ‘67 veranderde alles. Emmerich en zij gingen zonder ruzie uit elkaar, waarschijnlijk allebei opgelucht. Ze liet, terwijl hij naar zijn werk was, een verhuisbedrijf komen, met een kleine verhuiswagen. Ze liet alleen de dingen inpakken die echt van haar waren, en die ze grotendeels twaalf jaar geleden al had meegenomen uit Keulen. Ze reed in haar eigen Ford Anglia voor de verhuiswagen uit naar het huis Am Kuhlendahl, waar haar moeder haar boeltje al gepakt had om te verhuizen naar het verzorgingshuis van haar keuze.
woensdag 23 november 2022
136. Sophie
Sophie Kirchhoff. Zij is Magda’s oudste vriendin. Hoewel, misschien moet je dat omdraaien. Magda zelf is Sophies oudste vriendin. Sophie is 32 en zij 46. En dan nog is het een, een ongeoorloofde vereenvoudiging heet dat, denkt Magda. Want haar relatie met Sophie is ingewikkelder dan een gewone vriendschap. In ieder geval kent ze Sophie sinds die vier was. En zijzelf 18. Dat was in de oorlog. Ze waren Rusland al binnengevallen, en als ze zich goed herinnerde was haar vader al opgeroepen om zijn steentje bij te dragen aan de Duitse oorlogsinspanning, maar nog niet vertrokken. Sophies vader was overste in de Wehrmacht en vocht in die tijd op de Balkan. Sophies moeder fokte rashonden, Afghanen, die in kennels werden gehouden in een bijgebouw. Ze kwamen nooit binnen, maar of de een of andere manier waren ze in het hele huis te ruiken. Wat haar ook weer op een of andere manier aan Emmerich Gerhard doet denken. Die een hekel heeft aan honden. Maar Emmerich kende ze toen natuurlijk nog niet. De familie Kirchhoff woonde maar een paar huizen bij de Kindts vandaan. Haar vader en die van Sophie schaakten soms. Maar dat was voor ‘39. Zelf was ze nog nooit bij de Kirchhoffs geweest. Haar moeder en mevrouw Kirchhoff konden het niet goed met elkaar vinden. Maar in de oorlog veranderde dat. Sophies vader was bijna nooit thuis. Die vocht immers, eerst op de Balkan, en later aan het oostfront. En mevrouw Kirchhoff had het natuurlijk, net als iedereen, niet gemakkelijk om de eindjes aan elkaar te knopen. Vanaf ‘42 begon ze van tijd tot tijd een beroep op Magda te doen, om te helpen bij het verzorgen van de honden. Ze deed dat graag. Ze hield van de mooie en aanhankelijke dieren. En het duurde niet lang of ze maakte, meestal in het gezelschap van Sophie - die een bewegelijke en voor die tijd opmerkelijk mollige kleuter was - dagelijks een ronde langs de kennels. Schoonmaken, voer bijvullen, verzorging. De Afghanen hadden schrik van de onvoorspelbare Sophie, maar als zijzelf hun lange zijige vachten kamde, lieten ze dat zuchtend van genot toe.
dinsdag 22 november 2022
135. Magda
Ook met de seks kwam het daarna goed. En ook daarbij speelde Irmgard Konopka een belangrijke rol. Soms gingen ze in die tijd samen eten. Vrouwen onder elkaar, noemde Irmgard dat. Ze maakte daar tijd voor, ondanks al haar journalistieke en politieke beslommeringen. Niet vaak, maar toch bijna wel één keer per maand. Bij een van hun etentjes maakte ze kennis met Willy Haase, een hele aardige, attente man. Iemand die in de logistiek van de haven werkte, maar een heel ander type dan je zou verwachten. Hoffelijk, bescheiden. Zelfs een beetje verwijfd, dacht ze in eerste instantie. Maar daarin had ze zich vreselijk vergist. Want toen hij haar op zijn onopvallende, bijna terloopse manier in bed had gekregen, bleek hij een minnaar die in staat was haar zo ongeveer binnenstebuiten te keren.
Een heftige liefdesaffaire was het gevolg. Maar daarbij gebeurde iets onverwachts. Toen ze zich er iets over liet ontvallen, schrok Konopka zich een ongeluk. ‘Daar moet je onmiddellijk een eind aan maken, lieveling,’ zei ze. ‘Dat is een onmogelijke toestand. Dat kan echt niet.’ Magda was verontwaardigd. Boos. Ze verdacht Irmgard er van dat ze jaloers was. Maar die had plotseling een keiharde kant van zichzelf getoond. Ze had meedogenloos een einde gemaakt aan haar gesputter. ‘Dat is geen man voor jou,’ zei ze. ‘Punt, uit.’ En dat was gelijk het eind van de affaire geweest. Ze had Haase na Konopka’s vonnis nooit meer gezien. Ze had er ook nooit meer iets over gehoord. Behalve een nogal gemene roddel, een paar weken later, na een vergadering van de vrouwenraad waarbij Irmgard niet aanwezig was. ‘Heb je gehoord, ze hebben Willy Haase te pakken.’ ‘Je weet wel, de Don Juan van de haven.’ ‘Wist je niet, dat bleek een DDR-agent te zijn.’ ‘Ze hebben hem uitgewezen.’ Waarom? Niemand wist het. Maar Heike had wel iets gehoord. Hij zou de vrouw van een van die havenbaronnen bezwangerd hebben.
Toen ze het later, veel later, vertelde aan Sophie Kirchhoff, moest die lachen.
‘Wat is er zo komisch?’ vroeg ze geschrokken.
‘Een havenbaron,’ zei Sophie, ‘met een DDR-kind.’
Een heftige liefdesaffaire was het gevolg. Maar daarbij gebeurde iets onverwachts. Toen ze zich er iets over liet ontvallen, schrok Konopka zich een ongeluk. ‘Daar moet je onmiddellijk een eind aan maken, lieveling,’ zei ze. ‘Dat is een onmogelijke toestand. Dat kan echt niet.’ Magda was verontwaardigd. Boos. Ze verdacht Irmgard er van dat ze jaloers was. Maar die had plotseling een keiharde kant van zichzelf getoond. Ze had meedogenloos een einde gemaakt aan haar gesputter. ‘Dat is geen man voor jou,’ zei ze. ‘Punt, uit.’ En dat was gelijk het eind van de affaire geweest. Ze had Haase na Konopka’s vonnis nooit meer gezien. Ze had er ook nooit meer iets over gehoord. Behalve een nogal gemene roddel, een paar weken later, na een vergadering van de vrouwenraad waarbij Irmgard niet aanwezig was. ‘Heb je gehoord, ze hebben Willy Haase te pakken.’ ‘Je weet wel, de Don Juan van de haven.’ ‘Wist je niet, dat bleek een DDR-agent te zijn.’ ‘Ze hebben hem uitgewezen.’ Waarom? Niemand wist het. Maar Heike had wel iets gehoord. Hij zou de vrouw van een van die havenbaronnen bezwangerd hebben.
Toen ze het later, veel later, vertelde aan Sophie Kirchhoff, moest die lachen.
‘Wat is er zo komisch?’ vroeg ze geschrokken.
‘Een havenbaron,’ zei Sophie, ‘met een DDR-kind.’
maandag 21 november 2022
134. Magda
Het bleef niet bij dat gesprek op Sylt. Een week later stuurde Irmgard haar een lief kaartje, dat Magda haastig voor Emmerich verborg. Op het kaartje schreef ze dat ze nog wel eens terugdacht aan het gesprek dat ze hadden gehad. En er stond ook een datum op en informatie over een vrouwencongres dat dat najaar in Hamburg zou worden gehouden. Magda aarzelde daar lang over, maar uiteindelijk had ze, het was ergens in september, ‘s avonds haar jas aangetrokken en ze was er op af gegaan. Dat was eigenlijk de grote doorbraak geweest. Het congres werd georganiseerd door de vrouwenafdeling van de studentenvakbond, een heel linkse organisatie, en de meeste aanwezigen waren een stuk jonger dan zij. In eerste instantie was ze nogal geschrokken van de leuzen die daar gevoerd werden. ‘Bevrijd de socialistische botteriken van hun burgerlijke pikken.’ Dat soort dingen. Maar ze had zich daar vrouwmoedig overheen gezet. En ze werd rijkelijk beloond. Ze was er als het ware thuisgekomen.
Dat kwam niet in de laatste plaats door de hartelijkheid waarmee Irmgard Konopka haar had ontvangen. ‘Magda!’ riep ze, zodra ze haar tussen de congresgangsters ontwaarde. ‘Je bent gekomen. Wat leuk!’ Ze stevende onmiddellijk op haar af en ze troonde haar mee om haar te laten kennismaken met de leden van wat ze ‘de kerngroep’ noemde. Namen, namen, namen. Heike, Sigrid, Alice, Ilse, en nog veel meer. Allemaal jonge vrouwen, maar zonder een spoor van de spottende hooghartigheid waar jonge vrouwen zo vaak een handje van hebben. Magda vond bijna vanzelf haar plek in de Hamburgse vrouwenraad, en met een doortastendheid, waarvan ze wel wist dat ze die had, maar die ze al jaren niet meer aan de dag had gelegd, verwierf ze zich binnen de kortste keren in een heleboel zaken een leidinggevende positie. Het kwam natuurlijk vooral omdat ze uit haar tijd in Keulen een hoop administratieve ervaring meebracht. Juist administratie was iets waar de bijna allemaal hoogopgeleide en tamelijk onpraktische leden van de vrouwenraad weinig kaas van hadden gegeten. En het speelde ook een rol dat ze een vriendin was van Irmgard Konopka.
Dat kwam niet in de laatste plaats door de hartelijkheid waarmee Irmgard Konopka haar had ontvangen. ‘Magda!’ riep ze, zodra ze haar tussen de congresgangsters ontwaarde. ‘Je bent gekomen. Wat leuk!’ Ze stevende onmiddellijk op haar af en ze troonde haar mee om haar te laten kennismaken met de leden van wat ze ‘de kerngroep’ noemde. Namen, namen, namen. Heike, Sigrid, Alice, Ilse, en nog veel meer. Allemaal jonge vrouwen, maar zonder een spoor van de spottende hooghartigheid waar jonge vrouwen zo vaak een handje van hebben. Magda vond bijna vanzelf haar plek in de Hamburgse vrouwenraad, en met een doortastendheid, waarvan ze wel wist dat ze die had, maar die ze al jaren niet meer aan de dag had gelegd, verwierf ze zich binnen de kortste keren in een heleboel zaken een leidinggevende positie. Het kwam natuurlijk vooral omdat ze uit haar tijd in Keulen een hoop administratieve ervaring meebracht. Juist administratie was iets waar de bijna allemaal hoogopgeleide en tamelijk onpraktische leden van de vrouwenraad weinig kaas van hadden gegeten. En het speelde ook een rol dat ze een vriendin was van Irmgard Konopka.
zondag 20 november 2022
133. Magda
De ommekeer kwam in 1965, toen ze - via Emmerich nota bene - kennis maakte met Irmgard Konopka. De eerste ontmoeting stond haar nog scherp voor de geest. Op Sylt was dat. Vroeg in de zomer, tijdens een vakantie. Hoe Emmerich Irmgard kende had hij haar natuurlijk nooit verteld. Waarschijnlijk via zijn werk. Ze huurden ieder jaar een vakantiehuisje in Wenningstedt en daar was hij op een ochtend met haar komen aanzetten. Frau Konopka was ook op Sylt, vertelde hij. Ze woonde met haar man, Reinhard Stuhl, ze wist wel, van Gerade Nun, in een van de villa’s in de duinen. Ze kenden dat huis wel, dat karkas met die verwaarloosde tuin. Magda knikte. Ze had Irmgard onmiddellijk herkend. Van de televisie. Maar in werkelijkheid was ze kleiner. En warmer. Overweldigend. Wel echt een vrouw voor vrouwen. Binnen de kortste keren stonden ze in de keuken met elkaar te praten, terwijl zij koffie zette. Ze praatte over vrouwendingen. Over de rol van vrouwen in de samenleving. Irmgard was begonnen over het privéleven. Dat stond Magda nog scherp voor de geest. Irmgard had haar uitgelegd, aan de hand van het voorbeeld van zichzelf, dat privéleven eigenlijk een reactionair begrip was. Het privéleven was een onderdeel van het bestaan dat afgesloten bleef van de samenleving. Er rustte een taboe op, maar dat leidde tot een specifiek soort uitbuiting, de uitbuiting waar vrouwen mee te maken hadden. Ze had daar geschrokken op gereageerd, maar Irmgard Konopka had haar uitgelegd hoe dat zat. Het had te maken met de oude, in wezen patriarchale identiteit van de man. Reinhard Stuhl was het daar helemaal niet mee eens natuurlijk, maar ja, als je eerlijk was, moest je wel toegeven dat hij belanghebbende was. Emmerich, die een heel patriarchale identiteit had, luisterde niet. Die zat in de huiskamer een boek te lezen.
De uitbuiting van de vrouw, dat was wel een groot woord, maar Irmgard was nooit bang voor grote woorden. En als je goed luisterde, dan kon je daar als het ware doorheen luisteren. Dan hoorde je dat wat ze zei, ondanks de grote woorden, betrekking had op de echte werkelijkheid. Het was een kwestie van analyse. Wat Irmgard deed was ervaringen abstraheren, en ze daardoor een algemene geldigheid geven. Welbeschouwd was dat heel erg knap. Irmgard Konopka was in staat de werkelijkheid als het ware op een hoger plan te tillen, zodat je, als je goed nadacht, het verband kon zien tussen jouw leven van alledag en andere, grotere dingen. Ze kon laten zien dat er een verband bestond tussen koffie zetten, eten koken, de huishouding doen en de machtsverhoudingen tussen de seksen. Ze kon blootleggen dat in de relatie tussen mannen en vrouwen de mannen in feite een dubbelspel speelden, iets wat zonder analyse en abstractie helemaal niet opviel. Iets wat vrouwen bijna nooit in de gaten hadden. En mannen, als het puntje bij het paaltje kwam, eigenlijk zelf ook niet.
In feite telden vrouwen niet mee, meende Irmgard. ‘Weet je,’ zei ze, ‘vrouwen krijgen weliswaar vrijheid van spreken. Maar niemand luistert. En er is ook niemand die moeite doet om te onderzoeken hoe het komt dat vrouwen zo slecht uit de verf komen.’ ‘Vrouwen kunnen weliswaar meedoen met wat er in de maatschappij speelt,’ zei ze. ‘Maar van vrouwelijke zelfbepaling kan geen sprake zijn.’
‘Vrouwelijke zelfbepaling,’ zuchtte Magda.
‘Vind je dat onzin?’ zei Irmgard terwijl ze haar scherp opnam.
‘Nee, nee,’ zei ze haastig. ‘Jij brengt onder woorden wat wij allemaal voelen.’
‘Dat is ook zo’n specifiek probleem van vrouwen,’ zei Konopka. ‘Vrouwen voelen. Maar zijn ze in staat die gevoelens onder woorden te brengen?’
‘Veel te weinig,’ zei Magda.
De uitbuiting van de vrouw, dat was wel een groot woord, maar Irmgard was nooit bang voor grote woorden. En als je goed luisterde, dan kon je daar als het ware doorheen luisteren. Dan hoorde je dat wat ze zei, ondanks de grote woorden, betrekking had op de echte werkelijkheid. Het was een kwestie van analyse. Wat Irmgard deed was ervaringen abstraheren, en ze daardoor een algemene geldigheid geven. Welbeschouwd was dat heel erg knap. Irmgard Konopka was in staat de werkelijkheid als het ware op een hoger plan te tillen, zodat je, als je goed nadacht, het verband kon zien tussen jouw leven van alledag en andere, grotere dingen. Ze kon laten zien dat er een verband bestond tussen koffie zetten, eten koken, de huishouding doen en de machtsverhoudingen tussen de seksen. Ze kon blootleggen dat in de relatie tussen mannen en vrouwen de mannen in feite een dubbelspel speelden, iets wat zonder analyse en abstractie helemaal niet opviel. Iets wat vrouwen bijna nooit in de gaten hadden. En mannen, als het puntje bij het paaltje kwam, eigenlijk zelf ook niet.
In feite telden vrouwen niet mee, meende Irmgard. ‘Weet je,’ zei ze, ‘vrouwen krijgen weliswaar vrijheid van spreken. Maar niemand luistert. En er is ook niemand die moeite doet om te onderzoeken hoe het komt dat vrouwen zo slecht uit de verf komen.’ ‘Vrouwen kunnen weliswaar meedoen met wat er in de maatschappij speelt,’ zei ze. ‘Maar van vrouwelijke zelfbepaling kan geen sprake zijn.’
‘Vrouwelijke zelfbepaling,’ zuchtte Magda.
‘Vind je dat onzin?’ zei Irmgard terwijl ze haar scherp opnam.
‘Nee, nee,’ zei ze haastig. ‘Jij brengt onder woorden wat wij allemaal voelen.’
‘Dat is ook zo’n specifiek probleem van vrouwen,’ zei Konopka. ‘Vrouwen voelen. Maar zijn ze in staat die gevoelens onder woorden te brengen?’
‘Veel te weinig,’ zei Magda.
zaterdag 19 november 2022
132. Magda
[Wat voorafging]
Er zat in Emmerich Gerhard een vreemd soort hardheid, dacht Magda. Je hoefde hem maar te zien, om te weten dat hij een man was die doelen die hij zich stelde ook bereikte. Bij haarzelf hoefde hij daarvoor niet ver te gaan. Binnen een paar weken ging ze met hem uit. Een jaar later waren ze getrouwd. Ze gingen wonen in een nieuwbouwappartement in Keulen, hoewel het huis Am Kuhlendahl voor hen beschikbaar was. Haar moeder had verschillende keren gezegd dat ze daar, nu haar vader er niet meer was, niet graag woonde, en dat het onderhoud haar veel geld kostte. Maar Gerhard had geen belangstelling voor het huis. Ze konden prettig wonen in Keulen, zei hij. Het huis in Mülheim was hem te groot. En het was oud natuurlijk. Het rieten dak was slecht. De vensters. Waarschijnlijk wilde hij geen huis dat voortdurend onderhoud nodig had. En ze dacht dat hij er zich misschien niet thuis voelde omdat hij van eenvoudige afkomst was.Gerhards karakter veranderde niet toen hij snel promotie maakte, en bij de Douaneopsporingsdienst ging werken. En ze kregen geen kinderen natuurlijk. De dokter legde het verband met de antibiotica die ze had gekregen voor haar tbc. Niet dat ze onvruchtbaar was. Ze mocht hopen. Maar die hoop werd met de loop der jaren steeds kleiner. Tot ze er allebei eigenlijk niet meer aan dachten.
De seks stelde uiteindelijk ook niet meer veel voor. Waarschijnlijk was dat haar eigen schuld. Ze had er eerlijk gezegd steeds minder behoefte aan. En hij had geen tijd. Als ze erop terugkeek, begreep ze dat Gerhard en zij al vanaf het begin van de jaren vijftig uit elkaar aan het groeien waren. Gerhard vertelde haar nooit waar hij mee bezig was. Dat was ook logisch, natuurlijk. Zijn werk bij de douane was vertrouwelijk. Eind jaren vijftig werd de Douaneopsporingsdienst gereorganiseerd en uitgebreid, en ze verhuisden van Düsseldorf naar Hamburg. Daar ging hij dingen doen die helemaal buiten haar gezichtsveld vielen. Het was duidelijk dat zijn werk hem opslokte. Zoals dat zo vaak gaat bij mannen. Zeker als er op het thuisfront niet veel te beleven valt. Eigenlijk stond ze ook niet voor open voor zijn beroepsmatige bezigheden. Dat was gewoon zo. Ze wilde het niet weten. Soms kwam ze aanwijzingen tegen voor dingen die haar de stuipen op het lijf joegen. Maar daar sloot ze zich voor af. Net zoals ze zich in feite afsloot voor alles, behalve voor wat betrekking had op de huishouding.
vrijdag 18 november 2022
131. Magda
Magda kan zich niet herinneren dat haar moeder rouwde toen het bericht kwam dat haar vader was gesneuveld. Maar dat ligt misschien aan haarzelf. Eigenlijk heeft ze nooit veel notie gehad van wat er in haar moeder omging. Conventionele kleinburgerlijkheid, ja. En een soort lauwe moederliefde. Maar dat kon toch niet het enige zijn? In feite was de relatie van Magda met haar moeder oppervlakkig. En die relatie werd alleen maar oppervlakkiger toen ze in ‘46 Emmerich leerde kennen, die door mevrouw Kindt weliswaar geaccepteerd werd - wat moest ze anders in die moeilijke tijd na de oorlog - maar die ze met een feilloos klasse-instinct onmiddellijk had gedetermineerd als ‘niet ons soort.’ Gerhards ouders (die geen van beide de oorlog hadden overleefd) dreven een kruidenierswinkel in een buitenwijk van Keulen.
Maar Gerhard, dat was later. In ‘44 werkte Magda in een noodhospitaal. Tot ze tb kreeg, begin ‘45, toen het hospitaal al verplaatst was tot ver achter Keulen. In het najaar van ‘45 lag ze in een kliniek in de Allgäu. Emmerich Gerhard leerde ze kennen toen ze weer terug was in Mülheim. Haar studie had ze inmiddels opgegeven. Ze pendelde in die tijd - samen met haar jeugdvriendin Heidi Gründgens - naar Keulen, waar ze een baan hadden als secretaresses op het distributiekantoor. Emmerich was een politieambtenaar, die als chauffeur werkte voor Klaus Bödel, dezelfde die tegenwoordig president was van de Federale Recherche, maar in die dagen was hij hoofd van de politie in Keulen. Bödel was een protegé van Konrad Adenauer, die toen burgemeester was. Soms reed Gerhard ook voor hem. Bij een van die gelegenheden, toen Adenauer op haar kantoor iets te bespreken had, dronk Gerhard koffie op het secretariaat en maakte haar op een nogal onopvallende manier het hof. Wat trok haar in hem aan? Ze wist het niet meer. Waarschijnlijk was het zijn geslotenheid. Hij hoorde tot die zeldzame mannen die, ook bij nadere kennismaking, achter zwijgzaamheid diepte lijken te verbergen. Een diepte die er misschien echt was maar die hij in ieder geval aan haar nooit had prijsgegeven. Zelfs het feit dat hij een hele nette functie had bij de Recherche op Büro Mitte moest ze van een collega horen. Dat hij een weduwnaar was - zijn eerste vrouw had hij verloren bij een van de bombardementen op Keulen - kwam ze pas na maanden via via te weten. Er was zelfs een kind geweest, een baby, die bij hetzelfde bombardement was omgekomen. Toen ze er naar vroeg bevestigde hij de feiten, maar hij weigerde, toen net zoals later, er woorden aan vuil te maken. Hij had zelfs geen foto’s.
Maar Gerhard, dat was later. In ‘44 werkte Magda in een noodhospitaal. Tot ze tb kreeg, begin ‘45, toen het hospitaal al verplaatst was tot ver achter Keulen. In het najaar van ‘45 lag ze in een kliniek in de Allgäu. Emmerich Gerhard leerde ze kennen toen ze weer terug was in Mülheim. Haar studie had ze inmiddels opgegeven. Ze pendelde in die tijd - samen met haar jeugdvriendin Heidi Gründgens - naar Keulen, waar ze een baan hadden als secretaresses op het distributiekantoor. Emmerich was een politieambtenaar, die als chauffeur werkte voor Klaus Bödel, dezelfde die tegenwoordig president was van de Federale Recherche, maar in die dagen was hij hoofd van de politie in Keulen. Bödel was een protegé van Konrad Adenauer, die toen burgemeester was. Soms reed Gerhard ook voor hem. Bij een van die gelegenheden, toen Adenauer op haar kantoor iets te bespreken had, dronk Gerhard koffie op het secretariaat en maakte haar op een nogal onopvallende manier het hof. Wat trok haar in hem aan? Ze wist het niet meer. Waarschijnlijk was het zijn geslotenheid. Hij hoorde tot die zeldzame mannen die, ook bij nadere kennismaking, achter zwijgzaamheid diepte lijken te verbergen. Een diepte die er misschien echt was maar die hij in ieder geval aan haar nooit had prijsgegeven. Zelfs het feit dat hij een hele nette functie had bij de Recherche op Büro Mitte moest ze van een collega horen. Dat hij een weduwnaar was - zijn eerste vrouw had hij verloren bij een van de bombardementen op Keulen - kwam ze pas na maanden via via te weten. Er was zelfs een kind geweest, een baby, die bij hetzelfde bombardement was omgekomen. Toen ze er naar vroeg bevestigde hij de feiten, maar hij weigerde, toen net zoals later, er woorden aan vuil te maken. Hij had zelfs geen foto’s.
donderdag 17 november 2022
130. Magda
Is Irmgard Konopka een mens? ‘Er zijn er genoeg die daar aan twijfelen,’ heeft Irmgard gezegd, met die rare, scheve grijns die Magda zich niet van vroeger herinnert. Maar ze is wel degelijk een mens natuurlijk. Misschien wel meer mens dan wie Magda maar kent. In ieder geval meer dan zij zelf. Konopka’s onverwachte bezoek leidt ertoe dat Magda Gerhard, eigenlijk voor het eerst sinds haar scheiding in ‘67, een poging doet tot introspectie. Wie is ze eigenlijk? Van haar meisjesnaam heet ze Kindt. Magdalena Kindt. In de praktijk altijd Magda. Waarom ze zich na haar scheiding Magda Gerhard is blijven noemen zou ze moeilijk kunnen uitleggen. Misschien is het een soort compensatie voor de alimentatie, die Emmerich Gerhard trouw blijft overmaken. Misschien is het ook gewoon omdat ze hem toch nooit meer ziet, en ze is nu eenmaal aan die naam gewend. Magda Gerhard. En ze is tenslotte geen kind meer. Er is weinig dat haar bindt aan de naam van een vader die haar als het puntje bij het paaltje komt nooit veel vaderliefde heeft geschonken. Albrecht Kindt was een notabele in het Mülheim van de jaren dertig. Een notaris. Maar niet iemand die in die moeilijke tijd veel geld verdiende. Misschien had hij wel degelijk veel geld kunnen verdienen, maar wist hij de juiste manier niet. Of wie weet was hij niet zo’n goede notaris. Dat is niet iets wat dochters gemakkelijk kunnen inschatten. Kindt was een tamelijk kleurloos persoon, denkt Magda. Een kleinburger, zouden de linkse vrouwen hem noemen. Iemand die gesteld was op decorum. En die maar weinig liefde had te bieden aan zijn vrouw en zijn enige kind. Nationaalsocialist was hij vanaf ‘36. Maar dat had zijn notariële praktijk nauwelijks vooruitgeholpen. Uiteindelijk had zijn positie hem zelfs niet behoed voor een oproep voor de Wehrmacht. In ‘42, na de inval in Rusland. In ‘44 was hij gesneuveld, in het Ardennenoffensief, als Sturmbannführer van een infanterie-eenheid. Het had haar vreemd onberoerd gelaten. Wat misschien aan de omstandigheden lag. Zijzelf was in ‘44, in de hel van dat laatste oorlogsjaar, als twintigjarige officieel nog ingeschreven aan de universiteit, maar in werkelijkheid werkte ze bijna dat hele jaar zonder enige medische opleiding in een soort noodhospitaal. Geen veldlazaret, maar een opvangcentrum voor gewonden achter het front.
woensdag 16 november 2022
129. Landesamt
Als hij klaar is, legt Gerhard de jongen het formulier voor dat hij gisteravond in overleg met Winckelmann heeft laten opmaken. Het is een uitgebreid, in ambtelijke taal gesteld document. Een schertsdocument, van hetzelfde type als de overeenkomst die Pohl ooit ondertekend heeft toen hij voor de Veiligheidsdienst ging werken. Schneider verzet zich niet. Hij tekent het formulier zonder een blik op de tekst te werpen. In drievoud. Eén exemplaar voor hemzelf, dat verdwijnt in de zak zijn van spijkerbroek. Twee blijven er op tafel liggen.
Het lijkt of er een last van de jongen is afgevallen.
Maar hij krijgt wel onmiddellijk praatjes. Hij wil graag weten hoe het kon dat de Veiligheidsdienst op de hoogte was van de ontvoering. Wordt hij al langer gevolgd? Of heeft Hannah… Maar dat kapt Gerhard af.
En dat was het.
De teruggave van Schneiders bezittingen levert nog een probleempje op. Bij zijn aanhouding heeft de Veiligheidsdienst een illegaal wapen in beslag genomen, een Smith&Wesson model 52 van meer dan een kilo. Met een notenhouten kolf godbetert. Gerhard staat er op dat Schneider dat wapen terugontvangt, maar dat is natuurlijk wettelijk niet mogelijk. De oplossing die ze er voor vinden is een gefingeerde slordigheid. Het wapen wordt verborgen in het zorgvuldig opgevouwen leren jack, dat de jongen bij zijn aanhouding droeg. Als Schneider om elf uur ‘s ochtends tekent voor teruggave van zijn spullen, krijgt de toezichthoudende agent een telefonische oproep en verlaat het vertrek. Via de doorkijkspiegel observeert Gerhard, met de door Schneider ondertekende formulieren in zijn hand, grimmig geamuseerd Schneiders verbazing als de revolver uit het jack rolt. En de haast waarmee de jongen de riem in zijn broek rijgt, in zijn jack schiet, en het wapen onder het jack verbergt.
‘Stomme lul,’ zegt Gerhard.
Hij vouwt de formulieren in vieren en propt ze in de zak van zijn colbert.
Winckelmann kijkt bedenkelijk. ‘Wat ben je in vredesnaam aan het doen?’ zegt hij.
Gerhard haalt zijn schouders op.
‘Drinken we nog een kop koffie?’
Het lijkt of er een last van de jongen is afgevallen.
Maar hij krijgt wel onmiddellijk praatjes. Hij wil graag weten hoe het kon dat de Veiligheidsdienst op de hoogte was van de ontvoering. Wordt hij al langer gevolgd? Of heeft Hannah… Maar dat kapt Gerhard af.
En dat was het.
De teruggave van Schneiders bezittingen levert nog een probleempje op. Bij zijn aanhouding heeft de Veiligheidsdienst een illegaal wapen in beslag genomen, een Smith&Wesson model 52 van meer dan een kilo. Met een notenhouten kolf godbetert. Gerhard staat er op dat Schneider dat wapen terugontvangt, maar dat is natuurlijk wettelijk niet mogelijk. De oplossing die ze er voor vinden is een gefingeerde slordigheid. Het wapen wordt verborgen in het zorgvuldig opgevouwen leren jack, dat de jongen bij zijn aanhouding droeg. Als Schneider om elf uur ‘s ochtends tekent voor teruggave van zijn spullen, krijgt de toezichthoudende agent een telefonische oproep en verlaat het vertrek. Via de doorkijkspiegel observeert Gerhard, met de door Schneider ondertekende formulieren in zijn hand, grimmig geamuseerd Schneiders verbazing als de revolver uit het jack rolt. En de haast waarmee de jongen de riem in zijn broek rijgt, in zijn jack schiet, en het wapen onder het jack verbergt.
‘Stomme lul,’ zegt Gerhard.
Hij vouwt de formulieren in vieren en propt ze in de zak van zijn colbert.
Winckelmann kijkt bedenkelijk. ‘Wat ben je in vredesnaam aan het doen?’ zegt hij.
Gerhard haalt zijn schouders op.
‘Drinken we nog een kop koffie?’
dinsdag 15 november 2022
128. Landesamt
[Wat voorafging]
De volgende ochtend is hij al vóór acht uur ter plaatse, maar Winckelmann is nog vroeger gekomen. Ze drinken koffie en kijken nog even naar wat details. Om half negen laten ze Schneider halen. Het duurt bijna een kwartier voor de jongen binnenkomt, witjes, en kennelijk haastig in zijn kleren geschoten. Hij staat in de deur, met twee bewakers achter zich, nog sjorrend aan zijn broekriem.
Gerhard wijst naar de tafel. ‘Ga zitten.’
De jongen gaat zitten.
‘Goed,’ zegt hij. ‘De feiten zijn gecheckt, en er zijn geen ernstige tegenstrijdigheden aan het licht gekomen. Al zijn er natuurlijk een boel dingen die nogal onwaarschijnlijk zijn.’ Hij kijkt Schneider lang aan. De jongen kijkt terug, zo uitdagend als hij kan.
‘Ik ga je een regeling voorstellen,’ gaat Gerhard verder. ‘Een hele riante regeling.’ Vervolgens vertelt hij hem, punt voor punt, wat hij kwijt wil. De kwestie van de ontvoering gaat in de doofpot. Zijn drugshandel wordt ongemoeid gelaten. Dat wordt zijn dekmantel.
Zijn dekmantel?
Zijn dekmantel, herhaalt Gerhard. ‘In werkelijkheid ga je je op iets heel anders concentreren.’
Schneider kijkt hem verward aan.
‘Je gaat als informant werken voor de Federale Recherche.’
Schneider hapt naar adem. Maar hij geeft uiteindelijk geen krimp. Hij wil alleen weten wat het schuift. Maar dat laat Gerhard niet toe. Hij geeft hem, terwijl Winckelmann onthutst toekijkt, een harde oorvijg, en begint daarna onverstoorbaar de details uit te werken: Schneider stemt ermee in om als informant op te treden van het Bundeskriminalamt, zonder bezoldiging etc. etc., met geheimhoudingsplicht, etc. etc.
De volgende ochtend is hij al vóór acht uur ter plaatse, maar Winckelmann is nog vroeger gekomen. Ze drinken koffie en kijken nog even naar wat details. Om half negen laten ze Schneider halen. Het duurt bijna een kwartier voor de jongen binnenkomt, witjes, en kennelijk haastig in zijn kleren geschoten. Hij staat in de deur, met twee bewakers achter zich, nog sjorrend aan zijn broekriem.
Gerhard wijst naar de tafel. ‘Ga zitten.’
De jongen gaat zitten.
‘Goed,’ zegt hij. ‘De feiten zijn gecheckt, en er zijn geen ernstige tegenstrijdigheden aan het licht gekomen. Al zijn er natuurlijk een boel dingen die nogal onwaarschijnlijk zijn.’ Hij kijkt Schneider lang aan. De jongen kijkt terug, zo uitdagend als hij kan.
‘Ik ga je een regeling voorstellen,’ gaat Gerhard verder. ‘Een hele riante regeling.’ Vervolgens vertelt hij hem, punt voor punt, wat hij kwijt wil. De kwestie van de ontvoering gaat in de doofpot. Zijn drugshandel wordt ongemoeid gelaten. Dat wordt zijn dekmantel.
Zijn dekmantel?
Zijn dekmantel, herhaalt Gerhard. ‘In werkelijkheid ga je je op iets heel anders concentreren.’
Schneider kijkt hem verward aan.
‘Je gaat als informant werken voor de Federale Recherche.’
Schneider hapt naar adem. Maar hij geeft uiteindelijk geen krimp. Hij wil alleen weten wat het schuift. Maar dat laat Gerhard niet toe. Hij geeft hem, terwijl Winckelmann onthutst toekijkt, een harde oorvijg, en begint daarna onverstoorbaar de details uit te werken: Schneider stemt ermee in om als informant op te treden van het Bundeskriminalamt, zonder bezoldiging etc. etc., met geheimhoudingsplicht, etc. etc.
maandag 14 november 2022
127. Landesamt
[Wat voorafging]
Gerhard kijkt naar het bezorgde gezicht van de man naast hem.
‘Goed dan,’ zegt hij. ‘Het is, je weet wel, we willen iemand in die club parachuteren. Een informant, en als dat goed gaat, proberen we het zo te schuiven dat hij de touwtjes een beetje in handen krijgt.'
‘Een infiltratieklus?’
‘Het gaat buiten het Coördinatiepunt om. De opdracht komt rechtstreeks uit Wiesbaden.’
‘En dat meisje…?’
‘Dat meisje en Pohl, die doen niet ter zake. Die moeten zich er niet mee gaan bemoeien. Dat is alles. Het draait om die Mehmet.’
‘Hij wordt de informant?’ zegt Winckelmann ongelovig.
‘Zijn kut,’ zegt Gerhard.
Winckelmann schudt het hoofd. ‘Hoe ver ben je met hem?’ vraagt hij.
‘Aardig ver.’
‘En Konopka?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Zij is de grote vis.’
‘Als het Konopka ís.’
‘Hoe bedoel je? Daar twijfel je aan?’
Maar daar gaat Gerhard niet op in. ‘Wil je meedoen?’ vraagt hij.
Winckelmann kijkt bedenkelijk. ‘Dit is een zaak van het BKA, he?’ zegt hij.
‘In samenwerking met de Veiligheidsdienst.’
‘Ik weet niet,’ aarzelt Winckelmann. Maar zijn nieuwsgierigheid is hem al de baas.
‘Morgen de finale,’ zegt Gerhard. ‘Zonodig overmorgen.
‘Wat ga je doen?’
‘Ik ga hem afmaken. Als je wilt, kun je erbij zijn.’
‘Je verhoort hem in de cel,’ zegt Winckelmann afwerend.
‘Morgen niet,’ zegt Gerhard. ‘Morgen laat ik hem naar een verhoorkamer brengen.’
Ze lopen de parkeergarage in. Even later staan ze bij de auto. Gerhard kijkt op zijn horloge. Het is half zes. ‘We rijden naar Düsseldorf, zegt hij. ‘Naar je kantoor. Dan kunnen we de zaak doornemen.’
Gerhard kijkt naar het bezorgde gezicht van de man naast hem.
‘Goed dan,’ zegt hij. ‘Het is, je weet wel, we willen iemand in die club parachuteren. Een informant, en als dat goed gaat, proberen we het zo te schuiven dat hij de touwtjes een beetje in handen krijgt.'
‘Een infiltratieklus?’
‘Het gaat buiten het Coördinatiepunt om. De opdracht komt rechtstreeks uit Wiesbaden.’
‘En dat meisje…?’
‘Dat meisje en Pohl, die doen niet ter zake. Die moeten zich er niet mee gaan bemoeien. Dat is alles. Het draait om die Mehmet.’
‘Hij wordt de informant?’ zegt Winckelmann ongelovig.
‘Zijn kut,’ zegt Gerhard.
Winckelmann schudt het hoofd. ‘Hoe ver ben je met hem?’ vraagt hij.
‘Aardig ver.’
‘En Konopka?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Zij is de grote vis.’
‘Als het Konopka ís.’
‘Hoe bedoel je? Daar twijfel je aan?’
Maar daar gaat Gerhard niet op in. ‘Wil je meedoen?’ vraagt hij.
Winckelmann kijkt bedenkelijk. ‘Dit is een zaak van het BKA, he?’ zegt hij.
‘In samenwerking met de Veiligheidsdienst.’
‘Ik weet niet,’ aarzelt Winckelmann. Maar zijn nieuwsgierigheid is hem al de baas.
‘Morgen de finale,’ zegt Gerhard. ‘Zonodig overmorgen.
‘Wat ga je doen?’
‘Ik ga hem afmaken. Als je wilt, kun je erbij zijn.’
‘Je verhoort hem in de cel,’ zegt Winckelmann afwerend.
‘Morgen niet,’ zegt Gerhard. ‘Morgen laat ik hem naar een verhoorkamer brengen.’
Ze lopen de parkeergarage in. Even later staan ze bij de auto. Gerhard kijkt op zijn horloge. Het is half zes. ‘We rijden naar Düsseldorf, zegt hij. ‘Naar je kantoor. Dan kunnen we de zaak doornemen.’
zondag 13 november 2022
126. Landesamt
‘Een mooie leugenaar,’ zegt Winckelmann als ze door de gang lopen.
Gerhard haalt zijn schouders op. ‘Zij liegt, ik lieg,’ zegt hij.
‘En nu?’
‘Ze wordt in vrijheid gesteld. Einde verhaal.’
‘Oké.’
Ze verlaten het politiebureau en lopen de Stolkgasse in. Het motregent, en Keulen ziet er zoals altijd belabberd uit. Ze wandelen, dicht langs de gevels, de straat uit, en via de Gereonstrasse en het Adreaskloster richting Dom, waar hun auto’s staan geparkeerd.
‘Ik heb trouwens met Deibel gebeld,’ zegt Gerhard, ‘in Hannover.’
‘Deibel?’
‘Ze komt uit Hannover,’ zegt hij. ‘Net als Pohl. Ik heb Deibel gevraagd een oogje in het zeil te houden. De bedoeling is natuurlijk dat ze zich hier verder niet mee bemoeien.’
Winckelmann kijkt hem onderzoekend aan. ‘Is dit wat je zou noemen een speciale operatie?’ vraagt hij voorzichtig.
‘Geen speciale operatie,’ zegt Gerhard. ‘Dat doen we niet meer.’
‘Wat is het dan?’
Gerhard zwijgt.
Winckelmann knikt. De boodschap is duidelijk. ‘Maar je hebt dus vastgesteld dat hier inderdaad extremisten zitten,’ zegt hij.
‘Subversieven,’ zegt Gerhard.
‘Nou ja, mensen van het Roodfront.’
‘Dat staat wel vast ja.’
‘En nu?’
Gerhard haalt zijn schouders op.
‘Je bent al aardig buiten je boekje gegaan.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik hoor dat je hem een aframmeling hebt gegeven.’
‘Schneider? Jazeker.’
Winckelmann knikt. ‘Dat is hoog opgespeeld, weet je.’
Gerhard glimlacht. ‘De officier van justitie heeft naar Bonn gebeld.’
‘Naar de Sicherungsgroep?’
Gerhard haalt zijn schouders op. ‘Zij liegt, ik lieg,’ zegt hij.
‘En nu?’
‘Ze wordt in vrijheid gesteld. Einde verhaal.’
‘Oké.’
Ze verlaten het politiebureau en lopen de Stolkgasse in. Het motregent, en Keulen ziet er zoals altijd belabberd uit. Ze wandelen, dicht langs de gevels, de straat uit, en via de Gereonstrasse en het Adreaskloster richting Dom, waar hun auto’s staan geparkeerd.
‘Ik heb trouwens met Deibel gebeld,’ zegt Gerhard, ‘in Hannover.’
‘Deibel?’
‘Ze komt uit Hannover,’ zegt hij. ‘Net als Pohl. Ik heb Deibel gevraagd een oogje in het zeil te houden. De bedoeling is natuurlijk dat ze zich hier verder niet mee bemoeien.’
Winckelmann kijkt hem onderzoekend aan. ‘Is dit wat je zou noemen een speciale operatie?’ vraagt hij voorzichtig.
‘Geen speciale operatie,’ zegt Gerhard. ‘Dat doen we niet meer.’
‘Wat is het dan?’
Gerhard zwijgt.
Winckelmann knikt. De boodschap is duidelijk. ‘Maar je hebt dus vastgesteld dat hier inderdaad extremisten zitten,’ zegt hij.
‘Subversieven,’ zegt Gerhard.
‘Nou ja, mensen van het Roodfront.’
‘Dat staat wel vast ja.’
‘En nu?’
Gerhard haalt zijn schouders op.
‘Je bent al aardig buiten je boekje gegaan.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik hoor dat je hem een aframmeling hebt gegeven.’
‘Schneider? Jazeker.’
Winckelmann knikt. ‘Dat is hoog opgespeeld, weet je.’
Gerhard glimlacht. ‘De officier van justitie heeft naar Bonn gebeld.’
‘Naar de Sicherungsgroep?’
zaterdag 12 november 2022
125. Landesamt
Diezelfde middag regelt Gerhard dat Hannah Maas wordt vrijgelaten. Daarna zoekt hij haar zelf op. Hij neemt Rochus Winckelmann mee. ‘We gaan u vrijlaten,’ zegt hij tegen het meisje.
‘Vrijlaten?’
‘We zien geen aanleiding om de voorlopige hechtenis te verlengen.’
‘Ik…’
‘Een betreurenswaardige aangelegenheid, Fräulein Maas,’ gaat hij verder.
Ze kijkt hem met grote, vochtige ogen aan.
‘Eigenlijk onbegrijpelijk,’ zegt hij onverbiddelijk
‘Er is…’
‘Een jonge vrouw als u, zoiets verwacht men toch helemaal niet.’
Er komt iets opstandigs in haar gezicht. ‘Ik wilde een bijdrage leveren aan de strijd,’ zegt ze parmantig.
‘Aan de strijd, aan welke strijd?’
‘U ziet dat natuurlijk anders.’
‘U wilde mevrouw Konopka helpen.’
Ze kijkt hem nu ronduit uitdagend aan.
‘Maar u kwam in iets heel anders terecht, he?’
‘Wat bedoelt u?’
‘Die Mehmet Schneider, dat is een hele leuke knul, maar het verhaal dat hij u opdiste over het Roodfront, dat was natuurlijk bullshit. Net als Bauschwitz, en, hoe was het ook weer, Harpo. Aardige jongens, maar met het Roodfront heeft dat allemaal niets te maken. Criminelen, juffrouw Maas. Drugsdealers. Plaatselijke figuren, bij de politie bekend.’
Daar heeft ze niet van terug. ‘Maar Irmgard Konopka,’ zegt ze verward.
Gerhard glimlacht. ‘De revolutionaire, he? Ja, dat is nog een beetje onduidelijk. Daar doen we nog onderzoek naar.’ Hij kijkt haar uit zijn ooghoeken aan. Haar geschokte, witte gezicht. De wijd opengesperde ogen. ‘Maar mevrouw Konopka was het in ieder geval niet,’ gaat hij verder. ‘Dat hebben we nagegaan. Dat snapt u wel. Dat zou belangrijk nieuws zijn, als die hier opdook. Maar dat is dus absoluut niet zo. Mevrouw Konopka zit hoog en droog in Berlijn.’
Ze gaat op haar kruk zitten. Zet haar ellebogen op tafel, en legt haar hoofd in haar handen.
‘U bent, hoe zal ik het zeggen, u bent een beetje op het verkeerde been gezet.’
Ze kijkt hem aan.
‘Ik hoop dat het een les voor u is geweest.’
‘Maar ik word vrijgelaten?’
‘U wordt vrijgelaten,’ zegt hij. ‘Zo dadelijk komt er iemand om u mee te nemen.’ Hij draait zich om en loopt, gevolgd door Winckelmann, naar de deur. Maar voor hij het teken geeft dat hij naar buiten wil, stopt hij even en draait zich om. ‘O, en wat die Pohl betreft,’ zegt hij. ‘Ik wil u eigenlijk adviseren om daar aangifte van te doen.’
‘Vrijlaten?’
‘We zien geen aanleiding om de voorlopige hechtenis te verlengen.’
‘Ik…’
‘Een betreurenswaardige aangelegenheid, Fräulein Maas,’ gaat hij verder.
Ze kijkt hem met grote, vochtige ogen aan.
‘Eigenlijk onbegrijpelijk,’ zegt hij onverbiddelijk
‘Er is…’
‘Een jonge vrouw als u, zoiets verwacht men toch helemaal niet.’
Er komt iets opstandigs in haar gezicht. ‘Ik wilde een bijdrage leveren aan de strijd,’ zegt ze parmantig.
‘Aan de strijd, aan welke strijd?’
‘U ziet dat natuurlijk anders.’
‘U wilde mevrouw Konopka helpen.’
Ze kijkt hem nu ronduit uitdagend aan.
‘Maar u kwam in iets heel anders terecht, he?’
‘Wat bedoelt u?’
‘Die Mehmet Schneider, dat is een hele leuke knul, maar het verhaal dat hij u opdiste over het Roodfront, dat was natuurlijk bullshit. Net als Bauschwitz, en, hoe was het ook weer, Harpo. Aardige jongens, maar met het Roodfront heeft dat allemaal niets te maken. Criminelen, juffrouw Maas. Drugsdealers. Plaatselijke figuren, bij de politie bekend.’
Daar heeft ze niet van terug. ‘Maar Irmgard Konopka,’ zegt ze verward.
Gerhard glimlacht. ‘De revolutionaire, he? Ja, dat is nog een beetje onduidelijk. Daar doen we nog onderzoek naar.’ Hij kijkt haar uit zijn ooghoeken aan. Haar geschokte, witte gezicht. De wijd opengesperde ogen. ‘Maar mevrouw Konopka was het in ieder geval niet,’ gaat hij verder. ‘Dat hebben we nagegaan. Dat snapt u wel. Dat zou belangrijk nieuws zijn, als die hier opdook. Maar dat is dus absoluut niet zo. Mevrouw Konopka zit hoog en droog in Berlijn.’
Ze gaat op haar kruk zitten. Zet haar ellebogen op tafel, en legt haar hoofd in haar handen.
‘U bent, hoe zal ik het zeggen, u bent een beetje op het verkeerde been gezet.’
Ze kijkt hem aan.
‘Ik hoop dat het een les voor u is geweest.’
‘Maar ik word vrijgelaten?’
‘U wordt vrijgelaten,’ zegt hij. ‘Zo dadelijk komt er iemand om u mee te nemen.’ Hij draait zich om en loopt, gevolgd door Winckelmann, naar de deur. Maar voor hij het teken geeft dat hij naar buiten wil, stopt hij even en draait zich om. ‘O, en wat die Pohl betreft,’ zegt hij. ‘Ik wil u eigenlijk adviseren om daar aangifte van te doen.’
vrijdag 11 november 2022
124. Liebknechtstrasse
[Wat voorafging]
Die middag is Gerhard om twee uur op het kantoor van de Sicherungsgruppe. Hij heeft zijn bezoek niet aangekondigd, maar het is of hij werd verwacht, want het grootste deel van de medewerkers staat in de gang te roken en te praten als hij binnenkomt. Weiss en Hahn onderbreken een discussie. Drechsler bevriest bij de trap naar het souterrain, Gutschein in de keukendeur. Aan het eind van de gang staat Gerda Pfau met verschrikte ogen toe te kijken. Ze heeft een stapel mappen onder haar arm. Gerhard groet en loopt, met zijn regenjas aan, de trap op en naar de werkkamer van Fischler. Hij gaat zonder kloppen naar binnen.Fischler is aan de telefoon, maar hij beëindigt zijn gesprek zodra Gerhard in de deuropening verschijnt.
‘Herr Gerhard,’ zegt hij op een toon waarin zowel verrassing doorklinkt als verontwaardiging.
‘U hebt stukken voor me.’
Fischler wijst naar zijn bureau, waar een stapeltje van vier dossiers ligt.
Gerhard kijkt de mappen vluchtig door, en trekt een plasticzak uit zijn jaszak, waar hij ze voorzichtig inschuift.
‘Een infiltratie he?’ zegt Fischler met een geknepen stem. ‘Dit is allemaal hoogst ongebruikelijk, Herr Gerhard.’
‘U hebt met Bödel gesproken,’ zegt Gerhard op constaterende toon.
‘Niet alleen met Bödel.’
‘O, u hebt contact gehad met de collega’s in Keulen?’
‘Met de officier van justitie.’
‘Juist.’
‘Men is daar niet zo gecharmeerd van uw optreden.’
‘Verwijs hem maar naar Wiesbaden.’
‘Dat heb ik gedaan.’
‘Dan is dat in orde.’
‘En hoe gaat dit nu verder?’
Gerhard haalt zijn schouders op. ‘Voorlopig zal ik weinig op kantoor zijn,’ zegt hij.
‘Juist.’
‘De heren van het bureau zullen zichzelf moeten coördineren.’
donderdag 10 november 2022
123. Liebknechtstrasse
[Wat voorafging]
De volgende ochtend staat Gerhard tegen negen uur op en zet koffie. Hij is van plan Schneider die dag aan zijn eigen onzekerheden over te laten, en in het weekend door te drukken. Zaterdag, en zonodig zondag. Na tienen doet hij boodschappen in de buurtsupermarkt, en koopt een exemplaar van de Frankfurter Zeitung. Thuisgekomen leest hij dat Brandt naar Warschau zal reizen om, nu zijn Oostpolitiek vorm begint te krijgen, ook met de Polen een verdrag te sluiten. Er wordt gespeculeerd dat Duitsland definitief zal afzien van teruggave van de vooroorlogse Duitse gebieden Silezië, Oder-Neiße en Oost-Pruisen. De Oder-Neiße-grens zal worden erkend. Op straat wordt daarover gedemonstreerd. Door oude mannen. ‘Dreigeteilt, nie!’ Maar het zijn natuurlijk voldongen feiten. Het is niet ondenkbaar dat het nog dit jaar tot een regeling zal komen over Berlijn.Om elf uur heeft Gerhard telefonisch contact met Bödel. Ja, zegt die. Fischler heeft inmiddels instructies ontvangen. De Roodfrontstukken die Kaminsky heeft achtergehouden liggen voor hem klaar. Hoe verloopt de samenwerking met de Veiligheidsdienst? Winckelmann, he? Rochus Winckelmann. Jazeker, die staat goed aangeschreven. En die Schneider? Dit weekend al? Ja, dat is prima. Dat is heel voortvarend.
Verder heeft de president niet veel te melden. Het volgende contact? Nee, nee, dit weekend is hij niet bereikbaar. En de volgende week… Het is even stil aan de andere kant van de lijn, terwijl Bödel zijn agenda raadpleegt. ‘Nee,’ zegt hij tenslotte. ‘Nee, dat schikt niet. De komende weken…’ Hij zwijgt opnieuw even. ‘Maar wat maakt het uit,’ zegt hij dan. ‘De zaak staat op de rit. Je kunt vooruit. Als er zich zaken voordoen, kun je die met Fischler bespreken.’
Gerhard is perplex.
Maar Bödel maakt een eind aan het gesprek en hangt op.
woensdag 9 november 2022
122. Rühle
[Wat voorafging]
Na een kwartier trapt Gerhard zijn laatste sigaret uit, en stapt hij weer achter het stuur. Een beetje klam. Het regent niet echt, maar de lucht is verzadigd van water. Hij rijdt de weg af tot een plaatsje dat Holzminden heet en vandaar zoekt hij zijn weg terug naar zijn flat in Raderthal.Die nacht droomt hij.
Hij loopt met Stuhl over de Gänsemarkt in Hamburg.
‘Ik neuk met haar,’ zegt hij.
‘En zij?’
‘Zij met mij.’
‘Ja,’ knikt Stuhl. ‘Natuurlijk neukt ze met je.’ Hij zegt het op zijn gewone, wat verontwaardigde toon. ‘Ze is een democrate. Of denk je dat ze neukt met iemand als Bödel? Dat zou ze toch nooit doen!’
Als hij wakker wordt, vraagt hij zich af hoe goed hij Stuhl persoonlijk kende. Heeft hij hem wel eens in het openbaar ontmoet? In gezelschap van haar? Was hij soms een soort huisvriend? Maar dat zijn de verwarde gedachten die zich soms in je hoofd nestelen als je heftig gedroomd hebt.
dinsdag 8 november 2022
121. Rühle
[Wat voorafging]
Gerhard bedankt de vrouw en rijdt stapvoets verder. Desondanks ziet hij het zijweggetje bijna over het hoofd. Honderd meter verder zet hij zijn auto in de berm, hij doet de lichten uit en opent het portier. Het huisje is vanaf de weg niet zichtbaar. Hij loopt behoedzaam het halfverharde pad af, tot het erf. Er brandt geen licht. Er staat geen auto. De luiken zijn dicht. Hij voelt aan de deuren, maar die zijn allemaal afgesloten. Toch is het huisje niet onbewoond. Hij ziet verse bandensporen. En de vuilnisbak is halfvol. Bij de achterdeur staan bierkratjes, met lege en volle flessen. En er slingeren wikkels van chocoladerepen.
Gerhard loopt terug naar zijn auto. Hij klopt op zijn zakken, op zoek naar zijn pakje sigaretten en rookt, tegen de auto geleund, drie keer achter elkaar. Irmgard Konopka is weer tot leven gekomen in zijn hoofd. Hij is in de villa in Blankenese. Ze liggen samen op het donkergroene, gepolsterde dekbed. Ze rekt zich uit en draait aan een lichtknopje naast het bed. Het licht wordt zwakker.
‘Een schemerlamp die je kunt dimmen,’ zegt hij. ‘Handig.’
Ze lacht. ‘Het meest opmerkelijke van het moderne kapitalisme is de toewijding waarmee het ons onnodige dingen opdringt.’
Op de achtergrond speelt de pick-up muziek van Alban Berg. Drie stukken voor orkest.
‘Progressieve muziek!’ zegt ze. Ze werpt een blik op zijn weifelende gezicht. ‘Duistere geluiden uit een pakhuis.’
Hij grinnikt, toch min of meer opgelucht.
‘Dit is een stuk uit 1914, geloof ik, maar de hele tweede wereldoorlog is al hoorbaar. Inclusief de moord op de Joden.’
‘Nou, nou,’ zegt hij. Maar ontkennen kan hij het niet. Rare dingen waren dat. Momenten dat ze hem als het ware binnenste buiten keerde. Later klaagde hij tegen haar over zijn obsessie met seks. Maar daar wilde ze niets van weten.
‘Fysiologische wetten zijn even onverbiddelijk als de wetten van de sterrenwereld,’ zei ze. ‘Ze kúnnen niet eens vervangen worden door menselijke wetten. We hebben ze maar te aanvaarden.’
‘He?’
‘Ergens gelezen,’ glimlachte ze.
‘Bij Karl Marx.’
Ze moest lachen.
‘Maar wat bedoel je nou precies?’
‘Je kunt er niets aan doen. Alle mannen zijn zo.’
‘Niet alle mannen.’
‘Je moest eens weten.’
Hij zweeg even. ‘En vrouwen?’ vroeg hij toen.
‘Je bent een lieve hond,’ zei ze.
maandag 7 november 2022
120. Rühle
[Wat voorafging]
Gerhard maakt het verhoor van Schneider niet af. ‘s Middags om drie uur strikt hij de linten van zijn kartonnen map zorgvuldig dicht, en klopt hij op de celdeur ten teken dat hij klaar is.
Buiten is het bewolkt en het regent een beetje. Hij stapt in zijn auto en rijdt de stad uit via de 46. In de auto denkt hij na over het mengsel van leugens en waarheid dat Schneider heeft opgedist. Lastig te doorgronden. De jongen is niet kwaad. Er zit daar een harde kern van loyaliteit, die hij niet heeft kunnen blootleggen. De vraag is of het nodig is die bloot te leggen. Hij kan er wel naar raden. Dat Schneider bij de Staüberle-Konopka-groep betrokken is, daar twijfelt hij niet aan. Ze zijn kennelijk bezig naar het westen te komen. In ieder geval Bauschwitz. En die Harpo natuurlijk. En Irmgard Konopka. Frappant dat Schneider over haar niet heeft verklaard. Toch is het na de verklaringen van Pohl en het Maas-meisje wel zeker dat hij met haar in Rühle was. Is Schneider haar huidige minnaar? Gerhard kan het zich niet voorstellen. Maar is het uitgesloten? Mensen zijn ingewikkelde wezens, denkt hij. Zelfs jonge bouwvakkers, die het ongetwijfeld niet veel verder hebben gebracht dan de lagere school.
Hij rijdt via Wuppertal, Dortmund naar Hameln. Daar slaat hij vastberaden rechtsaf en volgt de Weser naar Bodenwerder, en verder, tot hij tegen zes uur ‘s avonds Rühle bereikt. Het is al donker. Even voorbij het dorp zet hij zijn Audi langs de kant van de weg, half op het asfalt, half in het gras. Hij loopt een boerenerf op, waar een oude vrouw uit een schuur komt. Hij vraagt waar hier vakantiehuisjes zijn. Zijn zoon heeft met vrienden iets gehuurd bij Rühle, maar nu is zijn opa ernstig ziek geworden, en hij wil hem graag op de hoogte stellen. De vrouw maakt aanstalten om hem terug te wijzen naar het dorp, maar hij schudt het hoofd. ‘Aan de Weser,’ zei hij. ‘Het is ergens aan de Weser.’
Aan de Weser? Dat is het huisje van Herr und Frau Henning. Dat is inderdaad bewoond. Maar al een poos. Al sinds het begin van de maand.
‘Ja, dat klopt,’ knikt Gerhard.
‘Een man en een vrouw.’
‘Ach,’ zegt Gerhard, ‘kent u ze?’
De vrouw trekt een minachtende pruillip, en schudt haar hoofd.
‘Ja, ze zijn soms lastig, op die leeftijd,’ probeert Gerhard. Daar reageert ze niet op. Maar ze loopt met hem naar de weg. Het is niet ver, wijst ze. Misschien twee kilometer. Het huisje ligt aan het water, een paar honderd meter van de Bundesstraße, aan een eigen weg. Hij moet goed opletten want in het donker rijd je er zo voorbij.
Aan de Weser? Dat is het huisje van Herr und Frau Henning. Dat is inderdaad bewoond. Maar al een poos. Al sinds het begin van de maand.
‘Ja, dat klopt,’ knikt Gerhard.
‘Een man en een vrouw.’
‘Ach,’ zegt Gerhard, ‘kent u ze?’
De vrouw trekt een minachtende pruillip, en schudt haar hoofd.
‘Ja, ze zijn soms lastig, op die leeftijd,’ probeert Gerhard. Daar reageert ze niet op. Maar ze loopt met hem naar de weg. Het is niet ver, wijst ze. Misschien twee kilometer. Het huisje ligt aan het water, een paar honderd meter van de Bundesstraße, aan een eigen weg. Hij moet goed opletten want in het donker rijd je er zo voorbij.
zondag 6 november 2022
119. Fischler
https://terrorismebestijding.blogspot.com/2022/11/118-fischler.html]
Om tien over tien komt Fischler, toch wel enigszins geschokt, de conferentiezaal binnen voor het werkoverleg. Hij kijkt snel rond. Op het eerste oog lijkt alles in orde. Alleen de stoel rechts naast hem is leeg, verder zitten alle medewerkers op hun plaats, blocnote en pen voor zich op tafel. Gerda Pfau heeft de dienstberichten van de dag al voor hem klaargelegd. Maar zodra hij zijn stoel heeft aangeschoven, merkt hij de spanning. Het klikken van balpoints, het schuifelen van voeten, de steelse onderlinge blikken. Kaminsky zit zoals altijd naast Weiss en Hahn, ingezakt als een hoop stront. Hij kijkt hem zorgvuldig niet aan.Fischler besluit het kort te houden. Hij deelt de dienstberichten rond. Hij werpt een snelle blik op de puntenlijst die Pfau voor hem heeft klaargelegd, en schuift die opzij. ‘Goed, heren,’ zegt hij. ‘U kunt aan de slag. De bespreking van lopende zaken zullen we voor morgen bewaren.’
Even blijven ze verbaasd zitten, maar het duurt niet lang of ze beginnen stommelend het vertrek te verlaten.
‘O, en Gerd,’ zegt hij zo nonchalant mogelijk. ‘Ik begrijp dat Herr Gerhard nog niet over alle dossiers over de Roodfront-groep beschikt. Wil jij wat er nog onder jouw beheer is even op mijn kamer brengen?’
Kaminsky ‘s mond valt open en een ogenblik denkt Fischler dat hij een tegenwerping gaat maken. Maar hij sluit hem weer. Hij laat zijn schouders zakken en er komt iets van berusting over hem. Fischler staat op en baant zich een weg langs Gutschein en Drechsler. Voor hij de deur uitgaat, draait hij zich om en kijkt Gerda Pfau aan, die nog onbeweeglijk op haar plaats zit.
‘Loopt u even mee, Fraülein Pfau?’ zegt hij.
zaterdag 5 november 2022
118. Fischler
Adalbert Fischler grijpt naar de telefoon en belt een intern nummer. Even later schuift Kaminsky behoedzaam de kamer binnen.
‘Gerd, wat is er aan de hand?’
Kaminsky kijkt hem vanonder dikke oogleden aan.
‘Problemen,’ zegt hij zwaarwichtig.
Problemen, problemen? Wat voor problemen?
‘Gerhard is op eigen houtje een onderzoek begonnen.’
‘Gerhard is wat?’
‘Hij is hier gisteren voor het laatst geweest. Zei dat hij voorlopig niet op kantoor is.’
‘Wat is dat nou weer.’
‘Hij zei dat ik hem de Roodfrontstukken moest overdragen.’
‘De Roodfrontstukken?’
‘Die ik onder mijn beheer heb.’
‘Nee, nee. Daar komt niets van in,’ zegt Fischler boos.
‘Ik heb ze niet afgestaan,’ zegt Kaminsky.
‘Daar heb je heel goed aan gedaan.’
‘Maar hij heeft ze toch meegenomen.’
‘Wat!’
‘U wist daar helemaal niets van?’
‘Nee, daar wist ik helemaal niets van.’
‘O. Nou dan is er dus stront aan de knikker,’ zegt Kaminsky.
Als hij is vertrokken, grijpt Fischler opnieuw naar de telefoon.
Hij kijkt even in zijn interne telefoongids en draait dan het kengetal van Wiesbaden.
‘Gerd, wat is er aan de hand?’
Kaminsky kijkt hem vanonder dikke oogleden aan.
‘Problemen,’ zegt hij zwaarwichtig.
Problemen, problemen? Wat voor problemen?
‘Gerhard is op eigen houtje een onderzoek begonnen.’
‘Gerhard is wat?’
‘Hij is hier gisteren voor het laatst geweest. Zei dat hij voorlopig niet op kantoor is.’
‘Wat is dat nou weer.’
‘Hij zei dat ik hem de Roodfrontstukken moest overdragen.’
‘De Roodfrontstukken?’
‘Die ik onder mijn beheer heb.’
‘Nee, nee. Daar komt niets van in,’ zegt Fischler boos.
‘Ik heb ze niet afgestaan,’ zegt Kaminsky.
‘Daar heb je heel goed aan gedaan.’
‘Maar hij heeft ze toch meegenomen.’
‘Wat!’
‘U wist daar helemaal niets van?’
‘Nee, daar wist ik helemaal niets van.’
‘O. Nou dan is er dus stront aan de knikker,’ zegt Kaminsky.
Als hij is vertrokken, grijpt Fischler opnieuw naar de telefoon.
Hij kijkt even in zijn interne telefoongids en draait dan het kengetal van Wiesbaden.
vrijdag 4 november 2022
117. Fischler
[Wat voorafging]
Op kantoor is het stil, niemand van de medewerkers laat zich zien. Fischler loopt energiek de gang door en installeert zich achter zijn bureau, dat er zoals altijd prettig opgeruimd uitziet. Hij zet de telefoon, die door de schoonmakers is verschoven, terug op zijn plaats en wrijft zich in zijn handen. Exact om negen uur komt Gerda Pfau binnen met de post.‘U bent er weer, Herr Fischler?’ zegt ze schaapachtig, terwijl ze de stukken op zijn bureau legt.
‘Weer veilig in de veilige haven, Gerda,’ zegt hij met een klein lachje.
Ze maakt een klein, knixachtig beweginkje. Haar ogen vliegen van links naar rechts.
‘Alles in orde hier?’ zegt hij bemoedigend.
‘O ja Herr Fischler, alles in orde,’ zegt ze zachtjes.
‘Hoe laat vergaderen we?’
Geschrokken keek ze op haar polshorloge.
‘Tien uur toch, zoals altijd.’
‘Tien uur,’ glimlacht hij.
Ze loopt achteruit naar de deur, met haar handen naar de klink tastend.
‘Er is toch niets bijzonders?’
‘Ja Herr Fischler. Nee Herr Fischler. In grote lijnen…’
‘Goed Gerda. Waarschuw de mensen maar. Tien uur. Dan zien we elkaar.’
Ze verdwijnt.
Hij kijkt haar wantrouwig na. Er is iets aan de hand. Ze is natuurlijk een heel verlegen jonge vrouw. Altijd een beetje onhandig. Maar deze keer lijkt ze wel erg schuw.
donderdag 3 november 2022
116. Fischler
[Wat voorafging]
Fischlers vliegtuig landt op Flughafen Frankfurt met vier uur vertraging. Terwijl hij naar de bagageafhandeling loopt, is hij zich ervan bewust dat hij een veel zwaardere jetlag heeft dan op de heenweg. Hij is inmiddels - hij kijkt op zijn horloge, dat nog de Amerikaanse tijd aangeeft - meer dan 24 uur in touw. In het vliegtuig slapen, dat is natuurlijk weer niet gelukt. En de bedompte lucht die hij zeven uur lang heeft ingeademd heeft hem een zwaar blok hoofdpijn bezorgd boven zijn linker wenkbrauw. Als het even tegenzit, draait dat uit op migraine. Niet met de trein dus. Uitgesloten. Hij trekt zijn koffer van de lopende band, passeert de douane en verlaat het vliegveld via de hoofduitgang. Daar roept hij een taxi aan, en laat zich naar zijn woning in Bonn rijden. Waar hij zijn vrouw kust, zijn kinderen afwimpelt en om negen uur in bed kruipt.
De volgende ochtend wordt hij vol energie wakker. Hij heeft bij het congres in Washington uitstekende ideeën opgedaan, die zich al in de auto naar zijn werk aan hem beginnen op te dringen. Een nieuwe benadering. Het sleutelwoord is familie. Dat is hem helemaal duidelijk. Het bureau moet inzetten op de familie van de bekende terroristen. Contact leggen. Een band opbouwen. Een vertrouwensrelatie tot stand brengen. Ze helpen bij de verwerking. Bij het opvangen van de sociale consequenties. Ze zonodig financieel ondersteunen. En natuurlijk bovenal een luisterend oor bieden. Daar zullen zijn medewerkers zich op gaan toeleggen. Zo zullen ze het verschil maken. En het mes snijdt aan twee kanten. Als het zijn mensen lukt het vertrouwen van de familieleden te winnen, zal dat ongetwijfeld belangrijke achtergrondinformatie aan het licht brengen. En het zal de terroristen isoleren. Ze afsnijden van hun natuurlijke voedingsbodem.
En niet alleen de familie moet op de korrel worden genomen. Ook vrienden. Relaties. Ex-collega’s. Idealiter moeten de bureaumedewerkers zelfs infiltreren in de milieus die de voedingsbodem vormen voor de subversieve activiteiten. Extremisme floreert bij gratie van de steun in de bevolking. Zoals, hoe heet hij ook weer, Marighela al heeft gezegd. Het handboek voor de stadsguerrilla. Dat is een belangrijk boek. Dat is in Washington door veel van de sprekers als bron aangehaald. De les is duidelijk. Haal die steun weg, en de guerrilla verkommert. Verwelkt. Als onkruid dat je uit de grond trekt.
Hij moet dat bespreken met Gerd Kaminsky.
Dat is een ervaren oude rot.
Fischlers vliegtuig landt op Flughafen Frankfurt met vier uur vertraging. Terwijl hij naar de bagageafhandeling loopt, is hij zich ervan bewust dat hij een veel zwaardere jetlag heeft dan op de heenweg. Hij is inmiddels - hij kijkt op zijn horloge, dat nog de Amerikaanse tijd aangeeft - meer dan 24 uur in touw. In het vliegtuig slapen, dat is natuurlijk weer niet gelukt. En de bedompte lucht die hij zeven uur lang heeft ingeademd heeft hem een zwaar blok hoofdpijn bezorgd boven zijn linker wenkbrauw. Als het even tegenzit, draait dat uit op migraine. Niet met de trein dus. Uitgesloten. Hij trekt zijn koffer van de lopende band, passeert de douane en verlaat het vliegveld via de hoofduitgang. Daar roept hij een taxi aan, en laat zich naar zijn woning in Bonn rijden. Waar hij zijn vrouw kust, zijn kinderen afwimpelt en om negen uur in bed kruipt.
De volgende ochtend wordt hij vol energie wakker. Hij heeft bij het congres in Washington uitstekende ideeën opgedaan, die zich al in de auto naar zijn werk aan hem beginnen op te dringen. Een nieuwe benadering. Het sleutelwoord is familie. Dat is hem helemaal duidelijk. Het bureau moet inzetten op de familie van de bekende terroristen. Contact leggen. Een band opbouwen. Een vertrouwensrelatie tot stand brengen. Ze helpen bij de verwerking. Bij het opvangen van de sociale consequenties. Ze zonodig financieel ondersteunen. En natuurlijk bovenal een luisterend oor bieden. Daar zullen zijn medewerkers zich op gaan toeleggen. Zo zullen ze het verschil maken. En het mes snijdt aan twee kanten. Als het zijn mensen lukt het vertrouwen van de familieleden te winnen, zal dat ongetwijfeld belangrijke achtergrondinformatie aan het licht brengen. En het zal de terroristen isoleren. Ze afsnijden van hun natuurlijke voedingsbodem.
En niet alleen de familie moet op de korrel worden genomen. Ook vrienden. Relaties. Ex-collega’s. Idealiter moeten de bureaumedewerkers zelfs infiltreren in de milieus die de voedingsbodem vormen voor de subversieve activiteiten. Extremisme floreert bij gratie van de steun in de bevolking. Zoals, hoe heet hij ook weer, Marighela al heeft gezegd. Het handboek voor de stadsguerrilla. Dat is een belangrijk boek. Dat is in Washington door veel van de sprekers als bron aangehaald. De les is duidelijk. Haal die steun weg, en de guerrilla verkommert. Verwelkt. Als onkruid dat je uit de grond trekt.
Hij moet dat bespreken met Gerd Kaminsky.
Dat is een ervaren oude rot.
woensdag 2 november 2022
115. Verhoren
Tegen één uur laat Gerhard zich terugbrengen naar Schneiders cel. Het plaatje is eigenlijk wel compleet. De kwestie is nu hoe het verder moet. Hij neemt plaats tegenover de jongeman, en schudt zijn hoofd. Een vreemd verhaal, zegt hij. Het Roodfront, dat is natuurlijk niet zo geloofwaardig. De Staüberle-Konopka-groep is voor zover bekend een subversieve organisatie in Berlijn. Wat hebben die mensen te zoeken in Hannover en Keulen?
Schneider haalt zijn schouders op. ‘Ze gaan naar het westen,’ zegt hij.
Gerhard glimlacht kil. ‘En jij bent, hoe moet ik dat noemen, het bruggenhoofd?’
‘Nee, ik ben geen bruggenhoofd,’ zegt Schneider geërgerd.
‘Maar je komt wel uit Berlijn.’
‘Ik…’
‘Je hebt tot september een uitkering gehad van de sociale dienst in Berlijn.’
Schneider buigt het hoofd. ‘Ik ben daar weggegaan,’ zegt hij. Geen werk, zegt hij. Allemaal hippies daar, zegt hij. Niet zijn ding. Nee, hier ligt het werk ook niet voor het opscheppen. Maar hij redt zich.
Over zijn contacten met de Roodfrontleden in Hannover blijft hij vaag. Dat was toeval. Stom toeval. En na die ene keer zijn ze ook gewoon weer verdwenen. Maar veertien dagen geleden nam Bauschwitz opnieuw contact met hem op. Alleen? Ja alleen. Niet met Harpo? Daar reageert Schneider geprikkeld op. Harpo heeft hij maar één keer gezien. Dat heeft hij toch gezegd.
Wat betekent dat eigenlijk, Harpo?
Harpo? zegt Mehmet, gewoon Harpo, zoals dat schoonmaakmiddel. Hij lacht uitdagend.
Gerhard knikt. Alleen Bauschwitz dus. En hoe is dat gegaan?
Bauschwitz deed een beroep op zijn solidariteit, zegt Schneider.
Solidariteit?
Om een of andere reden prikkelt dat de jongen. Hij valt uit. ‘Ja,’ schreeuwt hij. ‘Solidariteit ja.’ Gerhard denkt dat hij een terrorist is. En dat is natuurlijk bullshit. Maar hij sympathiseert toevallig wel. Anders was hij godverdomme toch nooit aan zo’n klotenactie begonnen…
En Hannah heeft hij uit eigen initiatief bij de onderneming betrokken.
Van het verband met Roodfront is ze helemaal niet op de hoogte.
Al is ze net als hij natuurlijk links…
Als beoogde plaats van overdracht van het jongetje noemt Schneider een parkeerplaats.
Schneider haalt zijn schouders op. ‘Ze gaan naar het westen,’ zegt hij.
Gerhard glimlacht kil. ‘En jij bent, hoe moet ik dat noemen, het bruggenhoofd?’
‘Nee, ik ben geen bruggenhoofd,’ zegt Schneider geërgerd.
‘Maar je komt wel uit Berlijn.’
‘Ik…’
‘Je hebt tot september een uitkering gehad van de sociale dienst in Berlijn.’
Schneider buigt het hoofd. ‘Ik ben daar weggegaan,’ zegt hij. Geen werk, zegt hij. Allemaal hippies daar, zegt hij. Niet zijn ding. Nee, hier ligt het werk ook niet voor het opscheppen. Maar hij redt zich.
Over zijn contacten met de Roodfrontleden in Hannover blijft hij vaag. Dat was toeval. Stom toeval. En na die ene keer zijn ze ook gewoon weer verdwenen. Maar veertien dagen geleden nam Bauschwitz opnieuw contact met hem op. Alleen? Ja alleen. Niet met Harpo? Daar reageert Schneider geprikkeld op. Harpo heeft hij maar één keer gezien. Dat heeft hij toch gezegd.
Wat betekent dat eigenlijk, Harpo?
Harpo? zegt Mehmet, gewoon Harpo, zoals dat schoonmaakmiddel. Hij lacht uitdagend.
Gerhard knikt. Alleen Bauschwitz dus. En hoe is dat gegaan?
Bauschwitz deed een beroep op zijn solidariteit, zegt Schneider.
Solidariteit?
Om een of andere reden prikkelt dat de jongen. Hij valt uit. ‘Ja,’ schreeuwt hij. ‘Solidariteit ja.’ Gerhard denkt dat hij een terrorist is. En dat is natuurlijk bullshit. Maar hij sympathiseert toevallig wel. Anders was hij godverdomme toch nooit aan zo’n klotenactie begonnen…
En Hannah heeft hij uit eigen initiatief bij de onderneming betrokken.
Van het verband met Roodfront is ze helemaal niet op de hoogte.
Al is ze net als hij natuurlijk links…
Als beoogde plaats van overdracht van het jongetje noemt Schneider een parkeerplaats.
Aan de 64 naar Paderborn.
dinsdag 1 november 2022
114. Verhoren
Maar dat kan Schneider niet volhouden. Als Gerhard de volgende ochtend de ondervraging hervat, noemt hij al na een paar minuten het Roodfront. Gerhard veinst ongeloof. ‘Roodfront,’ zegt hij ironisch. ‘Toe maar.’ Hij dwingt hem details te noemen. Namen.
‘Stefan?’ zegt Schneider aarzelend. ‘Stefan Bauschwitz.’
Gerhard raadpleegt zijn papieren. ‘Bauschwitz?’ zegt hij sceptisch. ‘Dat is een kader.’
De jongen aarzelt, maar houdt uiteindelijk vol. ’Bauschwitz ja.’
‘En die ken jij?’ Hoe? Plaatsen. Data.
‘Uit Hannover,’ zegt de jongen vroom. ‘Die Mausefalle.’ Een jongerencentrum, ergens in de binnenstad. Schneider heeft er kennelijk over nagedacht, want het komt er allemaal vlot uit. Hij was daar voor handel, zegt hij. Hij heeft er klanten. Begin oktober was dat. Tien oktober, dacht hij. Zaterdag 10 oktober. In de Mausefalle was hij in contact gekomen met mannen van Roodfront. Stefan. Hij aarzelt even. ‘En Harpo,’ voegt hij daar aan toe.
‘Harpo?’
‘Harpo… ‘ Schneider aarzelt. Kan er zich kennelijk niet toe brengen daar meer over te vertellen. Uiteindelijk haalt hij zijn schouders op. Harpo heeft hij maar één keer gezien, liegt hij.
Gerhard perst er wel een beschrijving uit. Een arbeiderstype. Al wat ouder.
Maar Schneider houdt vol dat hij later alleen contact heeft gehad met Stefan.
Konopka komt niet ter sprake.
Gerhard schudt het hoofd en gaat koffie halen. De Keulse politie is coöperatief als altijd, en hij kan Schneiders verhalen checken met iemand van de Afdeling Recherche. Ze bellen met Hannover. Gerhard zegt hun te vragen naar de rechercheur Deibel die Hahn heeft genoemd. Die wordt gevonden en weet te vertellen dat er inderdaad een jongerencentrum bestaat met de naam ‘De muizenval’. En de basisgroep? Ja, ja, zegt Deibel. Zoiets hebben we hier. De secretaris van de kerkenraad van de Evangelische gemeente is de voorzitter. Ze houden zich bezig met hulp aan de derde wereld en hebben ook wel eens onderdak geboden aan Vietnam-deserteurs uit het Amerikaanse leger. Nee, van contacten met subversieve groepen is niets bekend. De vorige week heeft hij nog bezoek gehad van een medewerker van het Coördinatiepunt Politiek Gemotiveerde Gewelddaden en die heeft ook navraag gedaan naar een mogelijk verband met de extremisten. Maar daar is niets van gebleken.
Stefan Bauschwitz is geen naam die bij Deibel tot een reactie leidt. Irmgard Konopka brengt Gerhard niet ter sprake. Harpo is een lastig geval. Deibel heeft die naam nooit gehoord. En Gerhard kent hem zelf ook niet. Het kost hem bijna een uur bladeren in de rapporten die hij had meegenomen uit de kamer van Kaminsky voor hij erachter is dat Harpo de bijnaam is van Jürgen Blech, iemand uit de omgeving van Lösch.
‘Stefan?’ zegt Schneider aarzelend. ‘Stefan Bauschwitz.’
Gerhard raadpleegt zijn papieren. ‘Bauschwitz?’ zegt hij sceptisch. ‘Dat is een kader.’
De jongen aarzelt, maar houdt uiteindelijk vol. ’Bauschwitz ja.’
‘En die ken jij?’ Hoe? Plaatsen. Data.
‘Uit Hannover,’ zegt de jongen vroom. ‘Die Mausefalle.’ Een jongerencentrum, ergens in de binnenstad. Schneider heeft er kennelijk over nagedacht, want het komt er allemaal vlot uit. Hij was daar voor handel, zegt hij. Hij heeft er klanten. Begin oktober was dat. Tien oktober, dacht hij. Zaterdag 10 oktober. In de Mausefalle was hij in contact gekomen met mannen van Roodfront. Stefan. Hij aarzelt even. ‘En Harpo,’ voegt hij daar aan toe.
‘Harpo?’
‘Harpo… ‘ Schneider aarzelt. Kan er zich kennelijk niet toe brengen daar meer over te vertellen. Uiteindelijk haalt hij zijn schouders op. Harpo heeft hij maar één keer gezien, liegt hij.
Gerhard perst er wel een beschrijving uit. Een arbeiderstype. Al wat ouder.
Maar Schneider houdt vol dat hij later alleen contact heeft gehad met Stefan.
Konopka komt niet ter sprake.
Gerhard schudt het hoofd en gaat koffie halen. De Keulse politie is coöperatief als altijd, en hij kan Schneiders verhalen checken met iemand van de Afdeling Recherche. Ze bellen met Hannover. Gerhard zegt hun te vragen naar de rechercheur Deibel die Hahn heeft genoemd. Die wordt gevonden en weet te vertellen dat er inderdaad een jongerencentrum bestaat met de naam ‘De muizenval’. En de basisgroep? Ja, ja, zegt Deibel. Zoiets hebben we hier. De secretaris van de kerkenraad van de Evangelische gemeente is de voorzitter. Ze houden zich bezig met hulp aan de derde wereld en hebben ook wel eens onderdak geboden aan Vietnam-deserteurs uit het Amerikaanse leger. Nee, van contacten met subversieve groepen is niets bekend. De vorige week heeft hij nog bezoek gehad van een medewerker van het Coördinatiepunt Politiek Gemotiveerde Gewelddaden en die heeft ook navraag gedaan naar een mogelijk verband met de extremisten. Maar daar is niets van gebleken.
Stefan Bauschwitz is geen naam die bij Deibel tot een reactie leidt. Irmgard Konopka brengt Gerhard niet ter sprake. Harpo is een lastig geval. Deibel heeft die naam nooit gehoord. En Gerhard kent hem zelf ook niet. Het kost hem bijna een uur bladeren in de rapporten die hij had meegenomen uit de kamer van Kaminsky voor hij erachter is dat Harpo de bijnaam is van Jürgen Blech, iemand uit de omgeving van Lösch.
Abonneren op:
Reacties (Atom)
414. Epiloog
[ Wat voorafging] Het is rond deze tijd dat Norbert Gutschein, als hij op zijn gewone tijd op het kantoor verschijnt, in de gang Gerda Pfa...
-
[Wat voorafging] De map met stukken over de arrestaties in Zehlendorf ligt helemaal onder op de stapel. Uit de dagtekening blijkt dat hij al...
-
[Wat voorafging] Tien, twintig jaar christendemocratie. Boot-Jürgens’ wandelstok tikt, terwijl hij terug naar huis loopt, woedend zijn stap...
-
[Wat voorafging] Ze drinken koffie aan de Rathausufer, bij de Oude Haven. Onder jagende wolken waaruit zo nu en dan een spatje regen valt. D...