Wat Strauss wilde, maakte hij volledig duidelijk. De tegenpartij moest worden gedwongen kleur te bekennen. Het was het oude liedje. Het ABC van het politieke handwerk, al zolang mensen en andere primaten politiek bedreven. Waar het om draaide was de tegenstanders in een positie te brengen waarin ze hun geloofwaardigheid verloren. Waarin ze hun steun onder de mensen kwijtraakten. En niet te vergeten hun zelfvertrouwen. Tot ze rijp waren voor de slacht. Dat was prima natuurlijk, dacht Boot-Jürgens. En dat moest ook gebeuren. Maar hoe? Wat had Strauss in gedachten? Boot-Jürgens fronste zijn zijige patriciërwenkbrauwen maar maskeerde dat signaal snel met een innemende glimlach.
‘Wat staat u voor de geest?’ vroeg hij.
‘U, u… Hou toch eens op. Du, mein Lieber, du. We zijn hier Christendemocraten onder elkaar, wat! We zijn bondgenoten.’
Boot-Jürgens lachte zuinig terwijl hij in zijn schnaps roerde.
‘Wat denk je van de Staüberle-Konopka-bende?’
Hij schrok. Maar ook weer niet. Natuurlijk. Daar kwam de aap uit de mouw. Staüberle en Konopka. De lievelingszondenbokken van rechts. De belichaming van het vijandbeeld van het behoudende deel van de natie. ‘Herr Staüberle komt geloof ik uit München,’ zei hij ironisch.
‘Een kleine crimineel.’
‘En mevrouw Konopka is de dochter van een dominee.’
Maar Strauss wuifde dat weg. ‘De tijd van de rassenpolitiek is godzijdank voorbij,’ zei hij. ‘Herkomst, geloof, seksuele voorkeur, dat doet allemaal niet meer ter zake. Behalve misschien voor Onze-Lieve-Heer, wat? Al schijnt zelfs dat aan herinterpretatie onderhevig te zijn. Nee Lieber, de Staüberle-Konopka-groep. Ongeacht hun herkomst en sekse. Ongeacht hun effectiviteit – die overigens bedroevend lijkt te zijn - de Staüberle-Konopka-groep, dat is het doelwit. Dat is de club die Herr Brandt de das om gaat doen. Of de CDU nu meewerkt of niet.’
‘Wat staat u voor de geest?’ vroeg hij.
‘U, u… Hou toch eens op. Du, mein Lieber, du. We zijn hier Christendemocraten onder elkaar, wat! We zijn bondgenoten.’
Boot-Jürgens lachte zuinig terwijl hij in zijn schnaps roerde.
‘Wat denk je van de Staüberle-Konopka-bende?’
Hij schrok. Maar ook weer niet. Natuurlijk. Daar kwam de aap uit de mouw. Staüberle en Konopka. De lievelingszondenbokken van rechts. De belichaming van het vijandbeeld van het behoudende deel van de natie. ‘Herr Staüberle komt geloof ik uit München,’ zei hij ironisch.
‘Een kleine crimineel.’
‘En mevrouw Konopka is de dochter van een dominee.’
Maar Strauss wuifde dat weg. ‘De tijd van de rassenpolitiek is godzijdank voorbij,’ zei hij. ‘Herkomst, geloof, seksuele voorkeur, dat doet allemaal niet meer ter zake. Behalve misschien voor Onze-Lieve-Heer, wat? Al schijnt zelfs dat aan herinterpretatie onderhevig te zijn. Nee Lieber, de Staüberle-Konopka-groep. Ongeacht hun herkomst en sekse. Ongeacht hun effectiviteit – die overigens bedroevend lijkt te zijn - de Staüberle-Konopka-groep, dat is het doelwit. Dat is de club die Herr Brandt de das om gaat doen. Of de CDU nu meewerkt of niet.’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten