Metzger zag Gerhard nog herhaaldelijk, die weken. Een poos lang leek het wel of de man hem opzocht. Op de strandboulevard, aan zee, in het dorp. Altijd in een van die Bermudashirts, altijd met een flodderbroek die de onderkant van zijn merkwaardig onbehaarde benen onbedekt liet. Altijd beleefd, en als hij Gerhard tegenkwam in het gezelschap van Magda op een clowneske manier charmant. Hij praatte nooit over het werk. Wel zag hij kans hem een keer mee te tronen naar zijn sportschool, zijn ‘hippe dingetje’, dat er piekfijn uitzag, met een sciencefictionachtige uitstalling van fitnessapparaten, waaraan, in een bad van muzak, zowel mannen als vrouwen zich in het zweet werkten. Daar zag hij Konopka ook weer. Ze hield een soort stuur vast van witgelakt ijzer, terwijl ze over een lopende band liep.
‘Gerhard!’ zei ze, toen hij binnenkwam.
Hij zwaaide met een slap handje, maar dat was niet genoeg. Ze sprong van de band en kwam naast hen staan. ‘Die band piept, Stan,’ zei ze.
‘Ik zal hem laten nakijken.’
‘Hebben jullie iets te bespreken, of mag ik hem even meenemen?’
‘Mij?’ zei Gerhard naïef.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten