Bödels secretariaat heeft voor Gerhard een hotel geregeld, en voor het eten is er gereserveerd in een Kneipe in het centrum, een bistro. Als hij er stipt om half zeven aankomt, zit Bödel al op hem te wachten. ‘Echt Duits,’ zegt hij, terwijl Gerhard aan tafel schuift. Vrijwel onmiddellijk staat er een kelner naast hen. Waarschijnlijk iemand van het BKA.
‘We beginnen met soep,’ zegt Bödel. ‘En dan zou ik een schnitzel aanbevelen, die zijn uit de kunst hier. En een dessert, zullen we gelijk een dessert bestellen? Ze hebben hier dame blanche, ken je dat? Frans, maar echt top.’
Gerhard stemt in en Bödel knikt naar de kelner. ‘In orde Heinz,’ zegt hij. ‘Zet je beste beentje voor. Deze gast is speciaal.’
Klaus Bödel kent de kneepjes van het vak. Hij buigt zich over de tafel en tilt de fles witte wijn uit de koelemmer. Werpt een blik op het etiket, en laat het aan Gerhard zien. Die knikt.
‘Het zijn rare tijden, Emmerich,’ zegt Bödel.
‘Rare tijden?’
‘Het ene moment denk je zus. En het volgende moment blijkt het ineens zo te zijn.’
‘O.’
‘Vrijheid en democratie,’ zegt Bödel. ‘Daar draait alles om. Dat is de essentie van de liberale rechtsstaat. Maar om van vrijheid en democratie te kunnen genieten, moeten we het terrorisme bestrijden.’ Hij schenkt in. ‘Hoe staat het met het terrorisme?’ zegt hij. ‘Hoe staat het met de terroristische dreiging?’
Gerhard kijkt de man tegenover hem aan. Peilend. ‘Er is geen terroristische dreiging,’ zegt hij.
‘Nou, nou…’ Bödel leunt achterover, en kijkt met welbehagen naar het dons van condens dat zich op zijn wijnglas vormt. ‘Dat kun je niet zomaar zeggen,’ zegt hij. ‘De wereld verlangt naar terroristen. En de wereld mag zijn verlangens koesteren.’
‘Ach…’
‘Zoveel ze maar wil.’
‘Mmm,’ zegt Gerhard.
‘Jij denkt daar anders over.’
‘Het zijn onnozele halzen, Klaus. Het zijn kinderen. Ze spelen spelletjes.’
‘We zijn allemaal kinderen, we spelen allemaal spelletjes. Maar we zitten aan touwtjes. We spelen de spelletjes die we moeten spelen.’ Bödel denkt hij daar even over na. Dan kijkt hij op en grinnikt. ‘Hoe dan ook, genoeg jongelui die niet zo gelukkig zijn met ons democratisch bestel, he. Je vraagt je af, wat is dat toch? Het is of de welvaart ze op de longen is geslagen, Emmerich. Een hoestbui waar geen einde aan komt.’ Hij neemt bedachtzaam een slokje wijn. ‘Weet je nog die student die is neergeschoten, een paar jaar geleden, die Ohnesorg?’
Gerhard knikt. ‘Daar zat de DDR achter,’ zegt hij.
‘De DDR?’
‘De agent die die jongen heeft neergeschoten…’
Maar dat wuift Bödel weg. ‘Daar gaat het niet om,’ zegt hij. ‘Het gaat om die demonstratie. Weet je nog waar ze tegen demonstreerden? Tegen de sjah. Je gelooft het niet. Tegen de sjah van Perzië. Een Duitse jongen die zich laat neerknallen uit protest tegen het gebrek aan democratie in een of ander achterafland. En in het eigen land willen ze van de democratie af. Ze weten gewoon niet wat ze willen.’
‘Ze zijn ontevreden.’
‘Ze zijn ontevreden,’ knikt Bödel. ‘Hoe beter ze het hebben, hoe zekerder ze zijn dat het niet goed gaat. Hoe het was, interesseert ze niet. En hoe ingewikkeld het allemaal is, daar hebben ze geen flauw idee van.’
‘Het zijn rare tijden, Emmerich,’ zegt Bödel.
‘Rare tijden?’
‘Het ene moment denk je zus. En het volgende moment blijkt het ineens zo te zijn.’
‘O.’
‘Vrijheid en democratie,’ zegt Bödel. ‘Daar draait alles om. Dat is de essentie van de liberale rechtsstaat. Maar om van vrijheid en democratie te kunnen genieten, moeten we het terrorisme bestrijden.’ Hij schenkt in. ‘Hoe staat het met het terrorisme?’ zegt hij. ‘Hoe staat het met de terroristische dreiging?’
Gerhard kijkt de man tegenover hem aan. Peilend. ‘Er is geen terroristische dreiging,’ zegt hij.
‘Nou, nou…’ Bödel leunt achterover, en kijkt met welbehagen naar het dons van condens dat zich op zijn wijnglas vormt. ‘Dat kun je niet zomaar zeggen,’ zegt hij. ‘De wereld verlangt naar terroristen. En de wereld mag zijn verlangens koesteren.’
‘Ach…’
‘Zoveel ze maar wil.’
‘Mmm,’ zegt Gerhard.
‘Jij denkt daar anders over.’
‘Het zijn onnozele halzen, Klaus. Het zijn kinderen. Ze spelen spelletjes.’
‘We zijn allemaal kinderen, we spelen allemaal spelletjes. Maar we zitten aan touwtjes. We spelen de spelletjes die we moeten spelen.’ Bödel denkt hij daar even over na. Dan kijkt hij op en grinnikt. ‘Hoe dan ook, genoeg jongelui die niet zo gelukkig zijn met ons democratisch bestel, he. Je vraagt je af, wat is dat toch? Het is of de welvaart ze op de longen is geslagen, Emmerich. Een hoestbui waar geen einde aan komt.’ Hij neemt bedachtzaam een slokje wijn. ‘Weet je nog die student die is neergeschoten, een paar jaar geleden, die Ohnesorg?’
Gerhard knikt. ‘Daar zat de DDR achter,’ zegt hij.
‘De DDR?’
‘De agent die die jongen heeft neergeschoten…’
Maar dat wuift Bödel weg. ‘Daar gaat het niet om,’ zegt hij. ‘Het gaat om die demonstratie. Weet je nog waar ze tegen demonstreerden? Tegen de sjah. Je gelooft het niet. Tegen de sjah van Perzië. Een Duitse jongen die zich laat neerknallen uit protest tegen het gebrek aan democratie in een of ander achterafland. En in het eigen land willen ze van de democratie af. Ze weten gewoon niet wat ze willen.’
‘Ze zijn ontevreden.’
‘Ze zijn ontevreden,’ knikt Bödel. ‘Hoe beter ze het hebben, hoe zekerder ze zijn dat het niet goed gaat. Hoe het was, interesseert ze niet. En hoe ingewikkeld het allemaal is, daar hebben ze geen flauw idee van.’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten