‘En het Roodfront?’ vraag hij dan.
Gerhard haalt de schouders op.
‘De Staüberle-Konopka-bende.’
‘Dat is een bedenksel van de Bildzeitung,’ zegt Gerhard.
‘Hoeveel zijn het er eigenlijk?’
‘Er zijn er een stuk of negen die we in het vizier hebben,’ zegt Gerhard onwillig. ‘Staüberle natuurlijk, Eva Richter. Konopka. En dan nog wat types die met hen in verband zijn te brengen.’ Hij aarzelt even, en kijkt Bödel vragend aan. Maar die knikt aanmoedigend. Hij telde ze af op zijn vingers. ‘Raabe en zijn vriendin. Bauschwitz. Schöngeist… Van de coterie van Lösch zijn er geloof ik nog twee op vrije voeten. En dan de namen die we nog niet kennen. Vijf of zes misschien. En dan heb je de sympathisanten natuurlijk.’ Hij haalt de schouders op. ‘Het is moeilijk om zo’n beweging precies in beeld te krijgen. Voor zover je van een beweging kunt spreken natuurlijk.’
‘Die Staüberle is een crimineel, dacht ik,’ zegt Bödel.
‘Een kunstenaar,’ zegt Gerhard voorzichtig.
‘Met die Eva Richter die een domineesdochter is. Een raar stel.’ Bödel aarzelt even en tast met een vinger in het schaaltje met zwarte olijven dat Heinz op hun tafel heeft gezet. ‘Maar de grote blinde vlek in het geheel, dat is natuurlijk Irmgard Konopka.’
Gerhard zwijgt behoedzaam.
‘Ken je haar?’
Hij maakt een onbestemd geluid.
‘Het gekke is dat ik zelf haar vrij goed ken,’ gaat Bödel verder. ‘Persoonlijk, bedoel ik. Uit de tijd dat ze nog met Stuhl was.’
‘Met Stuhl?’
‘De uitgever van dat tijdschrift, Gerade Nun. Ik ken hem uit het bestuur van de jeugdhulpverlening in Hamburg. Irmgard was daar ook actief. Je weet misschien dat ze die film heeft gemaakt?’
Gerhard knikt.
‘Nogal ideologisch allemaal. Dat is ook niet zo goed gevallen. Maar wel heel betrokken…’
Hij zwijgt even.
‘Een begaafde vrouw, Irmgard Konopka, dat lijdt geen twijfel. Bevlogen, dat is het woord.’ Hij knikt bedachtzaam. ‘Niet onsympathiek, hoor. Je vraagt je af wat zo’n vrouw bezielt om zich in de illegaliteit te storten. Ze had een reputatie weet je. En echte invloed. Ze moet toch begrepen hebben dat ze in een legale positie haar, laten we zeggen haar idealen, veel beter kon dienen…’
Hij knikt opnieuw en maakt ruimte zodat Heinz de soep op tafel kan zetten.
Een tijdlang zwijgen ze, terwijl ze de soep naar binnen lepelen. Bödel eet gulzig, met ver uitstulpende vochtige lippen. Gerhard constateert niet zonder genoegen dat hij kleine knorgeluidjes maakt als hij voedsel tot zich neemt. Als Bödel klaar is, leunt hij achterover en depte zijn lippen met zijn servet. ‘Er zijn er die zeggen dat ze gedwongen werd,’ zei hij.
‘Stuhl is een communist,’ zei Gerhard.
Bödel haalde zijn schouders op. ‘Ja, ja, en de DDR subsidieert zijn tijdschrift. Zo is het nu eenmaal tussen onze Bondsrepubliek en die daar in het oosten. In zekere zin zijn we een Siamese tweeling, weet je, niet van elkaar los te denken. Maar Stuhl is een goeie vent. Iemand met een hart. En dat tijdschrift van hem, sommigen zeggen dat het voorziet in een behoefte. Het kanaliseert gevoelens.’
Hij grinnikt.
Heinz haalt de soepborden af.
‘Weet je nog dat ze in ‘67 in de financiële problemen zaten?’ gaat Bödel verder. ‘Ze gaven obligaties uit, die je kon kopen om ze te steunen. Ik heb nog een kleine portefeuille ergens in een kast liggen. Vijfhonderd mark, geloof ik.’ Hij leunt achterover.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten