‘Maar nu even in ernst,’ zegt Bödel, ‘wat gaan we eraan doen?’
‘Waaraan?’
‘Aan de terroristische dreiging.’
‘Ik heb je al gezegd, er is geen terroristische dreiging.’
‘Het zijn kinderen.’
‘Ja.’
‘Ja,’ zegt Bödel. ‘Maar er zijn er die zeggen, dat is nou juist het probleem.’
‘He?’
‘Het probleem is dat we het probleem onderschatten.’
‘Maar net zei je…’
Er worden twee enorme schnitzels op tafel gezet. Salade. Patat frites.
‘We onderschatten het probleem, ‘vervolgt Bödel. ‘En waarom is dat?’
Gerhard zwijgt.
‘Dat is omdat ze er zo weinig van terecht brengen.’
Gerhard zwijgt.
Bödel knikt, en valt aan op zijn schnitzel. ‘We lachen erom,’ zegt hij met volle mond. ‘We zeggen, er is geen terroristische dreiging. Maar ondertussen knagen ze. Ze knagen aan de wortels, weet je. Ze knagen aan het wortelstelsel van de samenleving. En ik vraag je nog een keer.’ Hij wijst naar Gerhard met zijn vork. ‘Wat doen we er aan?’
Gerhard is perplex. Het wortelstelsel van de samenleving. Zegt de man die die middag nog zei dat er niet zoiets als een samenleving bestaat. Maar Bödel koerst onvervaard verder. Een sluipend kwaad zegt hij. Een kwaad dat bijna niet te bestrijden is. Zolang het niet verhelderd wordt. Zolang het niet aan het daglicht wordt gebracht.
Terwijl hij zich met grote, gulzige happen door zijn schnitzel werkt, beginnen zich de contouren af te tekenen van wat hij wil zeggen. Het is nodig de zaak op scherp te stellen, meent Bödel. De extremisten een handje te helpen Ze te voorzien van wapens. En van logistieke ondersteuning. Ze moeten in staat worden gesteld harder en effectiever toe te slaan. Meer schade te veroorzaken. De maatschappelijke onrust moet worden aangewakkerd.
‘En dan?’
‘Waaraan?’
‘Aan de terroristische dreiging.’
‘Ik heb je al gezegd, er is geen terroristische dreiging.’
‘Het zijn kinderen.’
‘Ja.’
‘Ja,’ zegt Bödel. ‘Maar er zijn er die zeggen, dat is nou juist het probleem.’
‘He?’
‘Het probleem is dat we het probleem onderschatten.’
‘Maar net zei je…’
Er worden twee enorme schnitzels op tafel gezet. Salade. Patat frites.
‘We onderschatten het probleem, ‘vervolgt Bödel. ‘En waarom is dat?’
Gerhard zwijgt.
‘Dat is omdat ze er zo weinig van terecht brengen.’
Gerhard zwijgt.
Bödel knikt, en valt aan op zijn schnitzel. ‘We lachen erom,’ zegt hij met volle mond. ‘We zeggen, er is geen terroristische dreiging. Maar ondertussen knagen ze. Ze knagen aan de wortels, weet je. Ze knagen aan het wortelstelsel van de samenleving. En ik vraag je nog een keer.’ Hij wijst naar Gerhard met zijn vork. ‘Wat doen we er aan?’
Gerhard is perplex. Het wortelstelsel van de samenleving. Zegt de man die die middag nog zei dat er niet zoiets als een samenleving bestaat. Maar Bödel koerst onvervaard verder. Een sluipend kwaad zegt hij. Een kwaad dat bijna niet te bestrijden is. Zolang het niet verhelderd wordt. Zolang het niet aan het daglicht wordt gebracht.
Terwijl hij zich met grote, gulzige happen door zijn schnitzel werkt, beginnen zich de contouren af te tekenen van wat hij wil zeggen. Het is nodig de zaak op scherp te stellen, meent Bödel. De extremisten een handje te helpen Ze te voorzien van wapens. En van logistieke ondersteuning. Ze moeten in staat worden gesteld harder en effectiever toe te slaan. Meer schade te veroorzaken. De maatschappelijke onrust moet worden aangewakkerd.
‘En dan?’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten