‘Moeilijke jaren,’ zei ze peilend.
Ja, moeilijke jaren, knikte hij. Vooral vanaf ‘42, bij de steeds frequentere en steeds catastrofalere bombardementen van de geallieerden. Ja raar, maar in zekere zin was die hele oorlogstijd aan hem voorbij gegaan. Het enige wat er van over was, flarden van beelden. Zoals? Een ouderwetse autobus vol soldaten. Een plein met duiven, waar ook kinderen speelden. Een tram op de Hohenzollernring. De weidse overkoepeling van het Centraal Station. Aan het eind van de oorlog lag negentig procent van de stad in puin, wist ze dat? Van de 1.000.000 inwoners waren er nog maar zo’n 100.000 over. Doden? Niets dan doden. Doden in huizen, doden op straten, doden in het water. In een appartementengebouw dat onder een voltreffer van een vijfhonderdponder als een rijpe meloen uit elkaar was gebarsten.
En de stank.
‘Am deutschen Wesen soll die Welt genesen,’ zei ze daarop. Grimmig.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten