Ze nemen afscheid met de afspraak dat ze half november opnieuw contact opneemt.
Als ze zich uit de telefooncel heeft geworsteld merkt Irmgard Konopka dat ze ondanks Krämers pogingen haar gerust te stellen nog steeds rilt over haar hele lichaam. Ze loopt een blokje om en nog een blokje tot het rillen verdwijnt en ze weer min of meer samenhangend kan denken. Het begint tot haar door te dringen hoe dwaas het is dat ze na het voltooien van haar stuk naar Mülheim is gereden. Hoe gevaarlijk. Dat vrouwen als Magda en Sophie worden ingeschakeld in de strijd die de Roodfrontgroep heeft te voeren, dat is ondenkbaar. Ze kunnen sympathisanten zijn, helpers misschien, maar onder geen voorwaarde mogen ze er worden ingesleept. Wat Krämer ook zegt, in feite brengt ze hen op een onaanvaardbare manier in gevaar, alleen al doordat ze hier logeert. Ze moet vertrekken, ze moet ze met rust laten. Aan de andere kant, de uitnodiging voor de filmavond is de deur uit en het gerucht van haar aanwezigheid heeft natuurlijk al lang en breed de ronde gedaan. Weer aan de andere kant, ze verheugde er zich zo op. Ze heeft zo’n ongelofelijke behoefte aan de warmte van menselijk contact. Maar wéér aan de andere kant: Teorema, die vreselijke film!
Hoe kan ze zich uit deze val bevrijden?
Ze tobt. En ze tobt.
Uiteindelijk besluit ze het tot donderdagavond uit te zingen. En daarna onmiddellijk te vertrekken.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten