Emmerich Gerhard, handen in de zak van zijn ouderwetse gabardine regenjas, licht gebald, een middelvinger door de ring van zijn sleutelbos. Hij laat zijn blik over het stadsprofiel gaan, zoals zich dat voor hen en boven hen aftekent. 9 oktober 1970. Staal, kunststof, glas. In vijfentwintig jaar verrezen uit de puinhopen van ‘45. Urbane glorie bekroond met een weidse wolkenlucht, waarin juist op dat moment een vlucht duiven op weg is. Naar het zenit. Persoonlijk ziet ook Gerhard de subversieve jongelui niet als terroristen. En Kaminsky is een non-valeur. Maar de dienst is nu eenmaal de dienst.
En dit is een federale staat. Tegenwoordig. Godverdomme.
‘Onze taak is uitsluitend informatief,’ zei hij tegen Kloster. ‘Men wil u uiteraard niets opdringen, maar op het Bondsniveau is men van mening dat in de landen niet altijd wordt beseft hoe ernstig de situatie is. Men denkt dat de politieman in uniform zich beter bewust moet zijn van de dreiging.’
‘En u dringt aan op, hoe noemt u het, “briefings”?’
‘Voor de smeris op straat,’ vulde Gerhard automatisch aan. ‘Informatie over de motieven achter het strafbare handelen van de extremisten, en over de revolutionaire doelen die ze nastreven. De wortels in de antiautoritaire studentenbeweging, en de andere krachten van de buitenparlementaire oppositie. De rol van de DDR…’
Ja, ja. Kloster glimlachte ironisch. Drugsgebruik was hier een hogere prioriteit, zei hij. Met de Hollandse grens op nauwelijks vijftig kilometer. Maar hij zou de kwestie bespreken in zijn overleg met justitie.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten