Zijn wereld, in wezen interesseert die haar niet eens. Het is haar wereld niet. Ha. De wereld van vrouwen. Zo anders dan die van mannen. Zo langs andere lijnen. De laatste dagen is er steeds iets van irritatie in de lucht. Eigenlijk al sinds hij haar heeft voorgesteld om na het congres een weekend door te brengen in Parijs. Boot-Jürgens heeft iets met Parijs. Hij is in de oorlog anderhalf jaar in Frankrijk geweest en spreekt goed Frans. Hun dochter Elspeth is in Parijs aan de Duitse ambassade verbonden. Ze kunnen bij haar logeren, een of twee tentoonstellingen bezoeken, het Louvre, en op zaterdagavond misschien naar de schouwburg. Maar Lise hield de boot af, en gisteren heeft ze zijn voorstel definitief naar de prullenbak verwezen. Onder het voorwendsel dat ze de zaterdagavond heeft beloofd aan kapelaan Greve.
Misschien is het Elspeth. Lise en zij hebben een merkwaardig koele moederdochterrelatie. Ondoorgrondelijk, zoals die relaties meestal zijn. Heel anders dan… Zijn gedachten stokken even. Een vaderzoonrelatie. Die hij nooit gehad heeft. Die hij is kwijtgeraakt. Waarvan hij nooit de vruchten heeft geplukt. Die hem eigenlijk is ontglipt. Die hem is ontnomen.Vrouwen zijn…
Minder betrouwbaar, denkt hij. Wispelturiger. Machiavellistischer, moet je misschien zeggen. Het komt door hun rol van underdog. Dat is hun rol. Nooit de upperdog. Altijd de underdog. Altijd gedwongen langs een omweg hun doel te bereiken. Het is hun tweede natuur. Ze weten het zelf niet eens. Maar de waarnemer, de objectieve waarnemer, kan het onmogelijk ontgaan. Ook al is het onmogelijk om de wegen te begrijpen waar zij wandelen. Maar hij was gekwetst door de manier waarop Lise zijn plannen had gedwarsboomd. Van de weeromstuit had hij besloten de vrijdagavond en nacht door te brengen bij zijn minnares in Dahlem. Leonore Tiefgens. Dát is een vrouw. Zijn gedachten glippen in een ander spoor. Een begaafde vrouw. Een hoogbegaafde, jonge, en temperamentvolle vrouw. Een veelgeroemde binnenhuisarchitecte. Ergens voor in de jaren zestig heeft hij haar ontmoet. Via Lise nota bene. Hij heeft er tegen geen van beide vrouwen ooit met een woord over gesproken, maar het is niet ondenkbaar dat de hele affaire door Lise zelf zo is bekokstoofd. Nee, nee, hij schudt het hoofd. Of toch? In ieder geval toonde ze geen spoor van gekwetstheid, of zelfs verbazing, toen hij begon van tijd tot tijd de nacht bij Leonore door te brengen. Nog haarscherp op zijn netvlies heeft hij de eerste keer dat hij op bestudeerd nonchalante manier zijn excuus naar voren bracht. ‘Ik slaap vannacht niet thuis, lieverd. Ik moet met een delegatie van de partij naar Bremen; morgenavond weer terug.’ Ze gaf met een karakteristiek handgebaar te kennen dat het goed was. Dat hij zich niet hoefde te vernederen met verklaringen? Lise is, en dat is niet de enige opmerkelijke tegenstrijdigheid in haar karakter, behalve een vrome, bijna bigotte katholiek, zonder enige twijfel ook een vrouw van de wereld.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten