Stuhl zelf.
‘Hij is Emmerich Gerhard,’ zei Konopka. ‘Van de liquidatiegroep van het BKA.’
‘Liquidatiegroep?’ zei Gerhard. ‘Wat is dat nou weer?’
‘Er is geen liquidatiegroep?’
‘Ik weet niet waar je het over hebt,’ zei Gerhard scherp.
‘Maar als die er zou zijn…’
‘Ik werk bij de opsporingsdienst van de douane…’
Stuhl keek hem onderzoekend aan. ‘Werkte u niet voor Bödel?’ zei hij.
‘Bödel zit in Wiesbaden,’ zei Gerhard. ‘Mijn chef is Klinke.’
‘Een competente man,’ zei Stuhl.
‘Klinke?’ zei Konopka.
‘Klaus Bödel.’
‘Die is onlangs benoemd tot president van het Bundeskriminalamt,’ zei Konopka. ‘De Federale Recherche.’
‘Hoe gaan de zaken, Herr Stuhl?’ zei Gerhard.
‘Goed, dank u.’
‘Een beetje een wilde boel hier, he?’
‘Je hebt het niet altijd zoals je het het liefste wilt.’
‘Maar u bent de baas.’
Stuhl zuchtte. ‘De creativiteit Herr Gerhard. De creativiteit moet vrij baan hebben.’
‘Daar denkt niet iedereen zo over.’
‘Weet u het zeker?’
Gerhard lachte. ‘Bedankt voor de borrel,’ zei hij, ‘maar ik moet verder.’
‘Aha,’ zei Stuhl. ‘Druk.’
‘Vakantie,’ zei Gerhard.
Toen hij zich omdraaide om weg te gaan, liet Konopka een hand over zijn schouder en zijn rug glijden. ‘Je bent een aardige hond,’ zei ze.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten