‘Even rondkijken,’ zei Metzger en hij sloop het vertrek uit.
Gerhard schoof aan de bar en schonk zich een glas whisky in.
‘Prosit,’ zei een stem achter hem.
Hij draaide zich om. Te snel.
Achter hem stond een jonge vrouw, met halflang donkerbruin haar. Een goed gevulde vrouw, een jaar of dertig, met donzige babywangen, die de aandacht afleidden van haar onderzoekende bruine ogen. Irmgard Konopka. De journaliste. De vrouw van Stuhl.
‘Oef,’ zei ze. Haar ogen zochten een horloge dat ze niet om had. ‘Hoe laat is het?’
‘Hoe laat denk je?’
Ze pakte zijn pols en keek op zijn horloge.
‘Ik ben al twee dagen op de been,’ zei ze.
‘Moet je niet werken?’
Onmiddellijk verscherpte zich haar blik. ‘Maandag heb ik mijn radiocolumn ingesproken,’ zei ze. ‘Ik heb vorige week drie stukken geschreven. En ik ben bezig met een vierde.’
‘Over party-cultuur?’ zei Gerhard.
Ze kuchte een lachje. ‘Leven achter de spiegel,’ zei ze.
‘Wat is dat?’
Ze maakte een armgebaar naar de drugsgebruikers. ‘The Doors of Perception.’
‘Drink je iets?’
Ze wees naar de whiskyfles. ‘Wat we altijd drinken,’ zei ze.
‘Hoe bedoel je,’ zei hij, oplettend.
‘Je dacht dat ik je niet ken?’
Hij dacht een fractie van een seconde na. ‘Iedereen kent me,’ zei hij toen.
‘Je moet je honden kennen als je niet wilt dat ze je bijten.’
‘Ik werk bij de Grenzschutz,’ zei hij.
‘Ja,’ zei ze. ‘Proost.’
‘Proost.’
Ze dronk voorzichtig, op een heel typische, onhandige manier: boog zich naar het glas in plaats van het glas naar haar mond te brengen. Was ze bijziend? Hij had haar nooit met een bril gezien.
Ze keken elkaar even zwijgend aan.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten