‘Stan?’ zei hij.
‘Stan wat?’
‘Metzger.’
Ze lachte. ‘Stanislaus,’ zei ze. ‘Stanley. Stanko, Stasiek, Stach.’
‘He, wat?’
‘Wist je dat niet? Ik dacht dat je hem kende.’
‘Een collega,’ zei hij schaapachtig. ‘Een ex-collega.’
Ze knikte, en liet het onderwerp rusten.
Ze praatten over het weer. Gerhard op zijn hoede. Hij zag dat ook zij op haar hoede was.
‘Wat wil je van me?’ zei hij tenslotte.
‘Ik wil je advies inwinnen. Ik ga een film maken, weet je. Over meisjes die in internaten zijn ondergebracht.’
Gerhard haalde zijn schouders op. ‘Dat is jeugdzorg,’ zei hij. ‘Daar heb ik niets mee te maken.’
Ze drong aan. ‘Toe nou.’
‘Die zitten daar niet voor niets,’ zei hij.
‘Nou zeg!’
‘Jij vindt natuurlijk van wel.’
‘Weet je wel hoe die kinderen behandeld worden?’
‘Weet jij waarom ze daar zitten?’
Ze perste haar lippen op elkaar. ‘Ze zitten daar niet voor hun plezier. Ze komen uit gebroken gezinnen, één-oudergezinnen. Ze hebben ellendige dingen meegemaakt. Mishandeling, kindermisbruik…’
‘Het zijn geen lieverdjes,’ zei hij waarschuwend.
‘Af hond!’ zei ze bestraffend. ‘Het zijn mensen. Niets menselijks is ze vreemd. De slechte dingen niet, de goede dingen niet.’
‘En de mens is in wezen goed,’ zei hij sarcastisch.
‘Niet goed, niet slecht. Verlangend.’
Verlangend.
‘Hebben we niet het recht verlangend te zijn?’
‘Met mate,’ zei Gerhard, kluns die hij was, terwijl hij het begin van een erectie voelde.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten