‘Waarom vroeg hij ernaar?’ zegt Hahn peinzend.
‘Waarnaar?’
‘Hannover?’
‘O dat.’
‘Het gaat hem toch niets aan. Die Staüberle-Konopka-lui, die vallen onder Kaminsky.’
‘Hij is wel de coördinator.’
‘Ja,’ zegt Hahn peinzend. ‘Hij is de coördinator.’
‘Maar hij doet er niet veel aan, he?’ zegt Weiss behulpzaam. ‘Heb jij enig idee wat hij uitvoert?’
‘Waarnaar?’
‘Hannover?’
‘O dat.’
‘Het gaat hem toch niets aan. Die Staüberle-Konopka-lui, die vallen onder Kaminsky.’
‘Hij is wel de coördinator.’
‘Ja,’ zegt Hahn peinzend. ‘Hij is de coördinator.’
‘Maar hij doet er niet veel aan, he?’ zegt Weiss behulpzaam. ‘Heb jij enig idee wat hij uitvoert?’
‘Hij neukt de wijven en hij schopt zijn hond.’
‘Heeft hij een hond?’
Hahn drukt de peuk van zijn sigaret uit in het schoteltje van de vetplant die op zijn bureau stond. ‘Net zo lui als Kaminsky,’ zegt hij.
‘Ja,’ zegt Weiss. ‘Maar ik weet niet of het je is opgevallen, die kan zijn bloed wel drinken.’
Hahn knikte. ‘Nogal logisch,’ zei hij. ‘Hij was de senior-onderzoeker. Maar toen dropte Wiesbaden Gerhard hier. Als coördinator. Weet je, die Gerhard, dat is een hele gemene.’
‘Ja, dat zeg jij.’
‘Ik ben er nog niet achter. Maar ik peuter het wel los. Hij komt van de Grenzschutz. Van de Douaneopsporingsdienst in Hamburg. Dat is een soort recherche. Harde jongens, die zich bezig houden met drugsmokkel en zo. Ik sprak iemand, die weet dat hij er verscheidene heeft omgelegd.’
‘Omgelegd?’
‘Koud gemaakt. Gekilld. Dat zie je toch ook wel. Die ogen. Zo koud!’
‘Maar als dat zo is, wat doet hij dan hier?’
‘Goeie vraag,’ zegt Hahn.
‘Weet jij het antwoord?’
Hahn schudt nadenkend het hoofd. ‘Nee,’ zegt hij. ‘Maar ik voorspel je, op een dag vragen we ons af waar we in terecht zijn gekomen.’
‘Denk je echt?’
‘Dan gaat het knalhard.’
‘Tegen de subversieven?’
‘Hm,’ zegt Hahn, ‘subversieven?’
‘Wat bedoel je?’
‘Tegen de extremisten, jochie. Tegen de terroristen.’
Weiss haalt zijn schouders op. ‘Terroristen?’
‘Wat denk jij dat je aan het doen bent, lieverd?’
‘Heeft hij een hond?’
Hahn drukt de peuk van zijn sigaret uit in het schoteltje van de vetplant die op zijn bureau stond. ‘Net zo lui als Kaminsky,’ zegt hij.
‘Ja,’ zegt Weiss. ‘Maar ik weet niet of het je is opgevallen, die kan zijn bloed wel drinken.’
Hahn knikte. ‘Nogal logisch,’ zei hij. ‘Hij was de senior-onderzoeker. Maar toen dropte Wiesbaden Gerhard hier. Als coördinator. Weet je, die Gerhard, dat is een hele gemene.’
‘Ja, dat zeg jij.’
‘Ik ben er nog niet achter. Maar ik peuter het wel los. Hij komt van de Grenzschutz. Van de Douaneopsporingsdienst in Hamburg. Dat is een soort recherche. Harde jongens, die zich bezig houden met drugsmokkel en zo. Ik sprak iemand, die weet dat hij er verscheidene heeft omgelegd.’
‘Omgelegd?’
‘Koud gemaakt. Gekilld. Dat zie je toch ook wel. Die ogen. Zo koud!’
‘Maar als dat zo is, wat doet hij dan hier?’
‘Goeie vraag,’ zegt Hahn.
‘Weet jij het antwoord?’
Hahn schudt nadenkend het hoofd. ‘Nee,’ zegt hij. ‘Maar ik voorspel je, op een dag vragen we ons af waar we in terecht zijn gekomen.’
‘Denk je echt?’
‘Dan gaat het knalhard.’
‘Tegen de subversieven?’
‘Hm,’ zegt Hahn, ‘subversieven?’
‘Wat bedoel je?’
‘Tegen de extremisten, jochie. Tegen de terroristen.’
Weiss haalt zijn schouders op. ‘Terroristen?’
‘Wat denk jij dat je aan het doen bent, lieverd?’
Hij grabbelt in de zak van zijn colbert, en haalt een nieuwe sigaret tevoorschijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten