[Wat voorafging]
Schneider legt de Prins-Valiantboekjes weg en drinkt zijn bierflesje leeg. Hij vouwt zijn handen onder zijn hoofd. Eva en Hans kan het niet verdommen, denkt hij. Dat weet hij, want hij heeft een eigen lijntje met ze. Het is iets waarvan Anna niet op de hoogte is, maar zo gaat dat in de illegaliteit. Veel stelt zijn contact overigens niet voor. Als hij, zoals hem is opgedragen, één keer per week, op zaterdag, vanuit een telefooncel naar Berlijn belt, is de enige instructie dat hij moet wachten. Geduld hebben. Contact houden. ‘Niet zeiken,’ zei Eva, de laatste keer dat hij haar had gesproken. Kribbig. ‘Niet zeiken. Doen wat je gezegd wordt.’ Ze begrijpen het niet. En hij kan er niet met goed fatsoen over beginnen. Maar als hij geen bezigheden heeft, wordt hij stapelkrankzinnig. Met Anna in dit huisje.
Neuken, ja. Neuken. Iedere avond. In het grote tweepersoonsbed, dat in de slaapkamer staat. Als de konijnen. Helemaal verslaafd. Met huid en haar overgeleverd aan een vrouw die overdags niets beters weet te doen dan op haar papieren staren.
‘Wat doe je,’ vraagt Anna, vanuit de huiskamer.
‘Ik lees.’
‘Ga je nog weg?’
‘Ik ga vanmiddag naar Hannover.’
‘Misschien kun je boodschappen doen? Er is geen brood meer.’
‘He?’
‘Er is geen brood meer,’ herhaalt ze. ‘Ik ben al twee dagen bezig blikjes witte bonen in tomatensaus te eten. En het bier is bijna op.’
‘Ja, ja,’ zegt hij. ‘Ik zal het meenemen. Brood. Bier.’
Maar later denkt hij daar niet meer aan.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten