[Wat voorafging]
Die middag treft Schneider Pohl in een bistro in Hannover. Dit is al hun derde ontmoeting. Vorige week woensdag, na zijn marktonderzoek, heeft hij Pohl gebeld en een deal voorgesteld. Inmiddels rijdt hun wagen al bijna een week. Tweeëneenhalfduizend is de omzet tot nu toe. ‘Heel gunstig,’ zegt Schneider tegen Pohl, ‘als je er rekening mee houdt dat we nog bezig zijn de zaak aan te zwengelen.’
‘Tweeëneenhalfduizend!?’
Schneider trekt uit zijn binnenzak de envelop met Pohls aandeel, en schuift die over de tafel.
‘Het is ongelofelijk. Wat voor soort lui…’
Maar dat kapt Schneider af. ’Forget it,’ zegt hij. ’Dat is mijn kant van de zaak.’
‘Toch echt alleen hasj he?’
‘Alleen hasj,’ zegt Schneider.
Hij draait op het ijzeren stoeltje, dat een ongemakkelijk zitting heeft. Het soort dat een prent in je reet zet.
‘En wat speed. En voor de echte liefhebbers coke…’
‘Coke?’
‘Coke,’ herhaalt Schneider. ‘Cocaïne.’ Hij haalt een opgevouwen stukje halfdoorzichtig papier tevoorschijn, netjes dichtgeplakt met een rond zegel. ‘Hier.’
‘Wat is dat?’
‘Ik krijg dit rechtstreeks van het hoofdkwartier van het Amerikaanse Derde Leger, in Heidelberg. Niet verslavend, maar het geeft een unheimliche flash. Clean spul. Voor de leiders van de revolutie.’
‘Coke he? Nooit van gehoord. ‘
‘Het gaat door de neus. Je inhaleert het als het ware. Je legt er een lijntje van op een glad oppervlak. Een spiegel of zo. Je snuift het op met een rietje. Je kunt ook snuiven van een bankbiljet, maar dat is meer iets voor proleten. Proberen?’
Pohl neemt het pakje aarzelend aan.
‘Wel voorzichtig mee omgaan. Niet in één keer opmaken. Wat jij hebt is genoeg voor drie keer.’
‘Het is echt niet verslavend?’
‘Je wordt er wezenloos helder van.’
Schneider kijkt door het beslagen raam van de bistro, en ziet buiten, als een bovennatuurlijke verschijning opgedoken uit het winkelpubliek, Hannah Maas, die, diep in een regenmantel gedoken, naar hen staat te kijken. Hannah Maas. Hannah Maas van het Steuncomité dat een flop is gebleken. Dat, toen Anna en hij er bij hun aankomst in Hannover een beroep op deden, was weggesmolten als sneeuw voor de zon. Behalve Hannah. Die een steun en toeverlaat was. Vooral van hem. En die hij met spijt in het hart in Hannover heeft achtergelaten.
Schneider springt overeind en beent naar buiten.
Hannah heeft zich al had omgedraaid en probeert snel weg te lopen. Maar hij gaat haar achterna en pakt haar bij de arm.
‘Hannah!’ zegt hij. ‘Wat is er?’
Ze krijgt, zodra hij haar u vastpakt een koppige trek op haar gezicht. Perst haar lippen op elkaar en beweegt haar arm, in een halfslachtige poging hem van haar af te schudden.
‘Wat is er Hannah?’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten