De volgende ochtend, na het eten, zit Schneider landerig aan de radio te draaien als Anna haar jas aantrekt, een kort legerachtig jack met capuchon.
‘Ga je mee?’
‘Wat ga je doen,’ vraagt hij.
‘Wandelen.’
‘Wandelen? Het regent.’
‘Heb je geen regenjas?’
‘Ik heb mijn jopper,’ zegt hij weifelend.
Anna loopt de deur uit, en hij duwt op de uitknop van de radio, pakt zijn jas en loopt haar achterna.
Het regent inderdaad. Niet hard maar gestaag. Het pad dat van het huisje naar de provinciale weg leidt is glibberig, en er lopen al kleine beekjes door de richels in het wegdek, van leem en grint. Boven aan de weg maakt Anna een vaag gebaar naar links, en begint over het zwarte teer in de richting van Rühle te lopen.
Schneider aarzelt. ‘We worden doornat,’ zegt hij.
Konopka draait zich om. ‘Het klaart wel op,’ zegt ze. ‘Kom mee.’
En hij komt.
Ze lopen zwijgend naast elkaar. Links de rivier. Rechts weiland, dat na een paar honderd meter plaats maakt voor een natte, bijna ontbladerde appelboomgaard, waar hier en daar nog vergeten appels aan de takken hangen. Schneider pijnigt zijn hoofd over iets wat hij kan zeggen. Maar alle onderwerpen lijken taboe.
Na een poos is het Anna die de stilte verbreekt.
‘Je drinkt te veel,’ zegt ze op beschuldigende toon.
‘He?’
‘Je drinkt te veel.’
Schneider protesteert. ‘Dat is gelul.’
‘Ik heb de flesjes geteld. Het zijn er meer dan negen per dag. Een kratje in iets meer dan twee dagen.’
‘Tel jij mijn biertjes?’
‘Sinds we hier zijn…’
‘Tel jij mijn biertjes?’
‘Sinds we hier zijn heb je vier kratjes leeggedronken.’ Ze gaat onverbiddelijk door. ‘We zijn tien dagen hier. En bijna de helft van de tijd ben je weggeweest.’
‘Nou moet het niet gekker worden,’ zegt Schneider, schor van woede. ‘Nou moet het niet gekker worden. Ze telt mijn biertjes.’
‘Negen flesjes, dat is drie liter, weet je dat. Per dag.’
‘Ze telt mijn biertjes godverdomme!’
‘Je verpest je gezondheid.’
‘Heb je niks beters te doen? Heb je niet wat te schrijven of zo?’
‘Je vernielt je hersencellen. Je vergiftigt je lever. Waarom doe je dat?’
‘Waar bemoei je je mee?’
‘Heb je een hekel aan jezelf?’
Hij klemt zijn kaken op elkaar, en schopt woest tegen een steentje dat in de weg ligt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten