Later die dag heeft hij een aanvaring met Fischler. Tegen drie uur steekt Gerda Pfau haar hoofd om de hoek van zijn kantoor en zegt bedeesd dat hij boven wordt verwacht. Als hij binnenkomt, toont Fischler hem met een verbeten mond het Lösch-rapport.
‘Herr Kaminsky was hier,’ zegt hij.
‘Ik dacht dat die thuis werkt,’ zegt Gerhard. Maar Fischler negeert dat. ‘Ik krijg dit op mijn bureau,’ zegt hij. Hij laat hem het tweede blad zien, met een groezelige lichtbruine vlek. ‘Wat is dat?’
‘Een koffievlek?’
Fischler kijkt hem vragend aan.
Hij kijkt terug.
‘Hebt u dit rapport gezien, Herr Gerhard?’
Gerhard haalt zijn schouders op. ‘Als ik hier ben, zie ik de rapporten altijd. Ik ben doorgaans voor achten op kantoor.’
‘En wat is de reden, als ik vragen mag?’
‘Ja bitte.’
Fischler bindt onmiddellijk in. ‘Ik weet dat u hier coördinator bent. Maar ik vind het,’ hij zwijgt even, zoekt naar een woord, ‘onaangenaam, dat u buiten mijn weten…’
‘Ik doe gewoon mijn werk,’ onderbreekt Gerhard hem.
‘Ja ja,’ zegt Fischler. ‘Daar twijfel ik niet aan. Maar Herr Kaminsky…’ Hij aarzelt weer. ‘Herr Kaminsky ziet dat als een inbreuk op zijn autonomie.’
‘Autonomie?’ zei Gerhard ironisch.
‘Nou ja, Kaminsky heeft natuurlijk zijn eigen verantwoordelijkheid.’
‘Zijn we hier ook al een stelletje subversieven?’
‘Zo moet u dat niet zien.’
‘Ik kijk de rapporten door uit hoofde van mijn functie. En als ik daar aanleiding toe zie, behandel ik ze. En als de heer Kaminsky een onderzoek doet, of Herr Weiss, of Herr Hahn, dan zijn ze daarover verantwoording schuldig aan mij. Uiteraard in overleg met u. Maar dat is mijn functie. Daar ben ik voor benoemd. Ik ben hier coördinator. Ik coördineer alle uitvoerende activiteiten. Zo staat het in de taakomschrijving die ik met de heer Bödel overeen ben gekomen. Zoals u heel goed weet.’
Hij begint boos te worden.
‘Ik voer gewoon uit waarvoor ik hier zit, Herr Fischler,’ zegt hij op een bijna dreigende toon. ‘En als daar achter mijn rug bezwaar tegen wordt gemaakt, dan neem ik dat hoog op. Dan neem ik dat heel hoog op.’
‘Ja, ja,’ zegt Fischler bezwerend. Dat is natuurlijk absoluut niet de bedoeling.
‘Als Kaminsky mij ergens over wenst te spreken, dan ligt het niet op zijn weg om dat via u te doen. Dan weet hij mij te vinden. En ik ga er overigens van uit dat hij mij nu ook weet te vinden. Om zijn excuses aan te bieden.’
Daar laat hij het bij.
En daar blijft het ook bij.
Kaminsky komt die woensdag weer opdagen.
En sluipt als een geslagen hond door de gang, als hij hem tegenkomt.
Een geslagen hond, met een moorddadig licht in zijn ogen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten