Bödel pakt een sigaar uit een glas met rookwaar dat op de tafel staat. Hij rolt de sigaar om en om in zijn vingers, ruikt er aan, en zet hem weer terug. ‘De extremisten, Emmerich, dat wordt big business. Groter dan de geheime diensten.’ Hij grinnikt. ‘Zelfs groter dan de drugshandel,’ gaat hij verder. ‘Hoewel niet veel groter misschien.’
Zijn hand pakt het boekje op dat op de tafel ligt. ‘Leibnitz,’ zegt hij, ‘ken je die? Leibnitz meende dat we in de beste van alle denkbare werelden leven. Dat geeft wel te denken he? Als hij gelijk heeft, moeten we ons afvragen of onze pogingen om de wereld te verbeteren niet per definitie tot een averechts resultaat moeten leiden.’
Gerhard kijkt hem aandachtig aan.
‘Tenzij je er natuurlijk van uitgaat dat onze pogingen om de wereld te verbeteren zelf deel uitmaken van deze beste van alle denkbare werelden. Als je begrijpt wat ik bedoel.’ Hij lacht stilletjes, en overweegt kennelijk wat hij gezegd heeft. ‘Weet je, Emmerich,’ gaat hij verder, ‘eigenlijk bestaat er niet zoiets als een samenleving. Het is belangrijk dat je dat inziet, vooral in de waan van onze tijd, in het gebrabbel dat je overal om je heen hoort over sociaal dit en sociaal dat. Een samenleving bestaat niet. Er zijn alleen individuen, afzonderlijke personen, die ieder voor zich hun voordeel zoeken, tegen zo laag mogelijke kosten, en met zo weinig mogelijk inspanning.’ Hij knikt tevreden. ‘En zo ontstaat vanzelf de beste van alle denkbare werelden.’
‘Je bent een filosoof geworden,’ zegt Gerhard.
‘Vrijheid en democratie,’ zegt Bödel. ‘Ik wil daar bij aantekenen dat naar mijn mening de beste van alle denkbare werelden welbeschouwd een tamelijk schunnige zaak is. Prosit.’
‘Prosit,’ zegt Gerhard gehoorzaam.
Bödel neemt een slok van zijn whisky. ‘Maar wat kan het verdommen,’ zegt hij. ‘Het gaat er uiteindelijk gewoon om voor je zaakjes te zorgen. Je moet zorgen dat je te vreten hebt, te drinken. Een dak boven je hoofd. En iets te naaien natuurlijk.’
Gerhard draait het glas in zijn handen en zegt niets.
‘De wereld volgens Bödel,’ besluit Bödel joviaal.
Hij kijkt op zijn horloge.
‘Maar we moeten rustig de tijd nemen om dit te bespreken. Kun je in Wiesbaden blijven? Dan eten we vanavond samen.’
*
Als Gerhard is vertrokken, belt Bödel. Onmiddellijk komt Pressler binnen, met een stapel dossiers. De secretaris kijkt hem leep aan. ‘Was het wat?’
Bödel trekt een scheve mond. ‘Dat staat te bezien,’ zegt hij zuinig.
‘Wil je hier nog naar kijken?’ zegt Pressler, terwijl hij de dossiers presenteert.
Maar Bödel wimpelt dat af. ‘Nee, nu niet,’ zegt hij.
‘Maar…’ begint Pressler.
‘Dat komt morgen wel. Eerst Emmerich Gerhard. Vanavond ga ik met hem eten. Is alles geregeld?’
Pressler knikt.
‘Je houdt je hart vast,’ zegt Bödel.
Zijn hand pakt het boekje op dat op de tafel ligt. ‘Leibnitz,’ zegt hij, ‘ken je die? Leibnitz meende dat we in de beste van alle denkbare werelden leven. Dat geeft wel te denken he? Als hij gelijk heeft, moeten we ons afvragen of onze pogingen om de wereld te verbeteren niet per definitie tot een averechts resultaat moeten leiden.’
Gerhard kijkt hem aandachtig aan.
‘Tenzij je er natuurlijk van uitgaat dat onze pogingen om de wereld te verbeteren zelf deel uitmaken van deze beste van alle denkbare werelden. Als je begrijpt wat ik bedoel.’ Hij lacht stilletjes, en overweegt kennelijk wat hij gezegd heeft. ‘Weet je, Emmerich,’ gaat hij verder, ‘eigenlijk bestaat er niet zoiets als een samenleving. Het is belangrijk dat je dat inziet, vooral in de waan van onze tijd, in het gebrabbel dat je overal om je heen hoort over sociaal dit en sociaal dat. Een samenleving bestaat niet. Er zijn alleen individuen, afzonderlijke personen, die ieder voor zich hun voordeel zoeken, tegen zo laag mogelijke kosten, en met zo weinig mogelijk inspanning.’ Hij knikt tevreden. ‘En zo ontstaat vanzelf de beste van alle denkbare werelden.’
‘Je bent een filosoof geworden,’ zegt Gerhard.
‘Vrijheid en democratie,’ zegt Bödel. ‘Ik wil daar bij aantekenen dat naar mijn mening de beste van alle denkbare werelden welbeschouwd een tamelijk schunnige zaak is. Prosit.’
‘Prosit,’ zegt Gerhard gehoorzaam.
Bödel neemt een slok van zijn whisky. ‘Maar wat kan het verdommen,’ zegt hij. ‘Het gaat er uiteindelijk gewoon om voor je zaakjes te zorgen. Je moet zorgen dat je te vreten hebt, te drinken. Een dak boven je hoofd. En iets te naaien natuurlijk.’
Gerhard draait het glas in zijn handen en zegt niets.
‘De wereld volgens Bödel,’ besluit Bödel joviaal.
Hij kijkt op zijn horloge.
‘Maar we moeten rustig de tijd nemen om dit te bespreken. Kun je in Wiesbaden blijven? Dan eten we vanavond samen.’
*
Als Gerhard is vertrokken, belt Bödel. Onmiddellijk komt Pressler binnen, met een stapel dossiers. De secretaris kijkt hem leep aan. ‘Was het wat?’
Bödel trekt een scheve mond. ‘Dat staat te bezien,’ zegt hij zuinig.
‘Wil je hier nog naar kijken?’ zegt Pressler, terwijl hij de dossiers presenteert.
Maar Bödel wimpelt dat af. ‘Nee, nu niet,’ zegt hij.
‘Maar…’ begint Pressler.
‘Dat komt morgen wel. Eerst Emmerich Gerhard. Vanavond ga ik met hem eten. Is alles geregeld?’
Pressler knikt.
‘Je houdt je hart vast,’ zegt Bödel.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten