De volgende dag gaat Emmerich Gerhard met de trein naar Berlijn, waar Herr Kommissar Klug hem zowaar begroet als een oude vriend. Gerhard is aangenaam verrast. Nee, het gaat prima met het terrorisme in het westen, grinnikt hij. Maar hoe staan de zaken hier in Berlijn? ‘Weinig nieuws te melden,’ zegt Klug. Nee, de politie hier heeft geen aanwijzingen dat er plannen zijn voor een uittocht naar de Bondslanden. De geruchten over de helikopter zijn uitgestorven. Kennelijk is dat toch niet gelukt. Wel wordt er steeds meer gepraat over banden tussen de Roodfronters en de Nationalpartei Deutschland. ‘Een nieuwe generatie,’ zegt Klug met een wrange grijns. Onplezierige jongelui. Hij noemt namen. Herzog. Stoss. Ene Kmetsch, die verdacht wordt van een serie geweldplegingen. Neonazi’s in zwarte leren jasjes. Met kettingen.
Ze gaan die avond opnieuw samen eten en aan tafel brengt Gerhard de pogingen ter sprake die er in Berlijn zijn gedaan om de Roodfrontgroep te infiltreren. ‘Nee,’ zegt Klug, ‘niet wijzelf. De Kriminalpolizei heeft dat soort operaties nooit uitgevoerd. Het was de Veiligheidsdienst. Bij mijn weten hebben ze het twee keer geprobeerd. En het was twee keer een fiasco.’ Hij grinnikt. ‘Maar misschien hebben ze daarvan geleerd,’ gaat hij verder, ‘misschien zitten er inmiddels wel hordes infiltranten in die Roodfrontclub.’
Gerhard schudt het hoofd. ‘Geen sprake van,’ zegt hij.
‘Dan moeten we concluderen dat het allemaal niet veel zoden aan de dijk heeft gezet,’ zegt Klug.
‘Vertel eens wat jij ervan weet.’
‘Twee infiltraties,’ telt Klug op zijn vingers. ‘De eerste keer in ‘69, die vent heette, hoe was het ook weer, Schabowski. Die heeft ze een tijdje misleid, voor ze hem aan de kaak stelden. De tweede keer, dit voorjaar, ene Lümmel. Dat hadden ze direct door, en ze gebruikten hem om de politie te misleiden. Dat is in januari uitgedraaid op een inval bij een organisatie van Heimatvertriebenen. En in april tot aanhouding van een CDU-politicus. Daarna was zijn rol wel uitgespeeld.’ Klug slaat zijn armen over elkaar en wrijft over zijn ellebogen. ‘Hm,’ zegt hij ironisch, ‘aan het eind wist iedereen ervan, behalve de Veiligheidsdienst. Die Lümmel was het lachertje van Berlijn.’
Ze gaan die avond opnieuw samen eten en aan tafel brengt Gerhard de pogingen ter sprake die er in Berlijn zijn gedaan om de Roodfrontgroep te infiltreren. ‘Nee,’ zegt Klug, ‘niet wijzelf. De Kriminalpolizei heeft dat soort operaties nooit uitgevoerd. Het was de Veiligheidsdienst. Bij mijn weten hebben ze het twee keer geprobeerd. En het was twee keer een fiasco.’ Hij grinnikt. ‘Maar misschien hebben ze daarvan geleerd,’ gaat hij verder, ‘misschien zitten er inmiddels wel hordes infiltranten in die Roodfrontclub.’
Gerhard schudt het hoofd. ‘Geen sprake van,’ zegt hij.
‘Dan moeten we concluderen dat het allemaal niet veel zoden aan de dijk heeft gezet,’ zegt Klug.
‘Vertel eens wat jij ervan weet.’
‘Twee infiltraties,’ telt Klug op zijn vingers. ‘De eerste keer in ‘69, die vent heette, hoe was het ook weer, Schabowski. Die heeft ze een tijdje misleid, voor ze hem aan de kaak stelden. De tweede keer, dit voorjaar, ene Lümmel. Dat hadden ze direct door, en ze gebruikten hem om de politie te misleiden. Dat is in januari uitgedraaid op een inval bij een organisatie van Heimatvertriebenen. En in april tot aanhouding van een CDU-politicus. Daarna was zijn rol wel uitgespeeld.’ Klug slaat zijn armen over elkaar en wrijft over zijn ellebogen. ‘Hm,’ zegt hij ironisch, ‘aan het eind wist iedereen ervan, behalve de Veiligheidsdienst. Die Lümmel was het lachertje van Berlijn.’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten