Is Schneider de infiltrant die hij nodig heeft? Gerhard denkt aan de scepsis van Winckelmann en Dehmel, en de moed zinkt hem in de schoenen. Maar de jongen is nog steeds als was in zijn handen. Met hangende schouders loopt hij voor Gerhard uit, de trap van gegalvaniseerd ijzer op die naar zijn kamer leidt. Binnen doet hij een halfslachtige poging zijn bravoure te herwinnen. Hij schudt de plastic zak leeg en spreidt de verfomfaaide bankbiljetten op tafel. Zonder Gerhard aan te kijken begint hij ze te sorteren, te koppen en op stapels te leggen. Een paar honderd mark. Gerhard kijkt toe, de handen in de zakken van zijn regenjas, zijn vinger in de sleutelring. Hij voelt de spanning. De kamer stinkt naar bier en sigaretten. Het bed is niet opgemaakt. Naast de deur hangt een kalender aan de wand, die is blijven steken bij mei ‘68. Gerhard loopt naar het raam en wrijft met een vinger over de dikke verflaag op de vensterbank, goorgeel van ouderdom of door de inwerking van de luchtvervuiling hier in het Ruhrgebied. Hij kijkt naar het flutschilderij aan de wand tegenover het bed.
‘Waar kijkt u naar?’ zegt Schneider met zijn kenmerkende, wat schorre stem. Hij wendt zijn blik niet af van zijn bezigheden. Gerhard antwoordt niet. De jongen knielt om zijn stash open te maken, een losse plank onder het vloerkleed. Hij stopt het geld weg. En gaat op het bed zitten. Een brave scholier. Een toeschouwer bij zijn eigen drama. Gerhard zwijgt nog steeds.
Wat wilt u nou?’ vraagt de jongen tenslotte.
‘Het is tijd,’ zegt Gerhard. ‘Het is tijd dat je de kost gaat verdienen.’
‘Dat doe ik,’ zegt Schneider.
‘De deal is…’, zegt Gerhard.
‘Ik weet wat de deal is.’
‘Maar je doet niks.’
‘Hoe weet u dat ik niks doe?’
‘Ha,’ zegt Gerhard minachtend. ‘Op bed liggen. Zuipen. Die wijven naaien die hier in huis wonen.’
Schneider haalt zijn schouders op.
‘Het is lastig,’ zegt hij.
‘Wat is lastig?’
‘Ik heb ze gebeld. Ze vertrouwen me niet.’
‘Ze vertrouwen je niet?’
‘Ze willen weten wat er is misgegaan met de ontvoering.’
‘Dat hebben we besproken.’
‘Ja, dat heb ik gezegd. Het jochie was ziek. Ik kon er niet bijkomen.’
‘Nou en?’
‘Ze hebben het contact verbroken.’
Gerhard knikt. ‘Ja,’ zei hij. ‘Misschien. Ja. Dat zat er in.’
‘Waar kijkt u naar?’ zegt Schneider met zijn kenmerkende, wat schorre stem. Hij wendt zijn blik niet af van zijn bezigheden. Gerhard antwoordt niet. De jongen knielt om zijn stash open te maken, een losse plank onder het vloerkleed. Hij stopt het geld weg. En gaat op het bed zitten. Een brave scholier. Een toeschouwer bij zijn eigen drama. Gerhard zwijgt nog steeds.
Wat wilt u nou?’ vraagt de jongen tenslotte.
‘Het is tijd,’ zegt Gerhard. ‘Het is tijd dat je de kost gaat verdienen.’
‘Dat doe ik,’ zegt Schneider.
‘De deal is…’, zegt Gerhard.
‘Ik weet wat de deal is.’
‘Maar je doet niks.’
‘Hoe weet u dat ik niks doe?’
‘Ha,’ zegt Gerhard minachtend. ‘Op bed liggen. Zuipen. Die wijven naaien die hier in huis wonen.’
Schneider haalt zijn schouders op.
‘Het is lastig,’ zegt hij.
‘Wat is lastig?’
‘Ik heb ze gebeld. Ze vertrouwen me niet.’
‘Ze vertrouwen je niet?’
‘Ze willen weten wat er is misgegaan met de ontvoering.’
‘Dat hebben we besproken.’
‘Ja, dat heb ik gezegd. Het jochie was ziek. Ik kon er niet bijkomen.’
‘Nou en?’
‘Ze hebben het contact verbroken.’
Gerhard knikt. ‘Ja,’ zei hij. ‘Misschien. Ja. Dat zat er in.’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten