‘Je gaat ze wapens leveren,’ zegt Gerhard.
Schneider kijkt hem geschrokken aan. ‘Wapens?’
Gerhard zet zijn ellebogen op tafel, en vouwt zijn handen over elkaar. Hij begint, zijn blik strak gericht op zijn knokkels, zijn bedoeling uiteen te zetten. Een informant is iemand die informatie levert over een criminele organisatie, zegt hij. Zo iemand kan zijn taak alleen uitvoeren als hij weet wat er in die organisatie gaande is. Bij Schneider is dat kennelijk niet het geval. Hij is, ja wat? Een randfiguur? Ja, zo kun je het misschien wel noemen. Een randfiguur. Om van nut te zijn, is het nodig dat hij een meer centrale rol krijgt in de groep. Dat hij als het ware opschuift naar het centrum. Als hij de groep wapens gaat leveren, zal dat betekenen dat hij promotie maakt, dat hij over meer informatie gaat beschikken. Hij zal een echte infiltrant worden.
‘Wat voor wapens?’ zegt Schneider schor.
‘Wapens,’ zegt Gerhard. ‘Wat ze maar willen. Handwapens, automatische wapens.’
‘Explosieven?’
‘Wat ze maar willen.’
‘Maar waarom?’ Aanslagen?
Ja natuurlijk, aanslagen, knikt Gerhard.
‘Maar hoezo, aanslagen? Op wie?’
‘Wat denk je?’
Op bedrijven? Op overheidsinstellingen?
‘Dat moeten ze zelf uitmaken.’
Op politici?
‘Voor mijn part pakken jullie Brandt,’ zegt Gerhard.
Schneiders gezicht drukt ongeloof uit. ‘Brandt? Maar Brandt…’
‘Ja?’
‘Dat is een socialist…’
‘Brandt is een revisionist,’ zegt Gerhard minzaam.
‘Een wat?’
‘Weet je wel hoe hij eigenlijk heet?’
Schneider kijkt hem niet begrijpend aan.
‘Eigenlijk heet hij Frahm,’ zegt Gerhard. ‘Herbert Frahm.’
‘Frahm?’
‘Die man is nog agent geweest van de KGB.’
‘De KGB?’ zegt Schneider ongelovig.
‘Het is echt zo,’ zegt Gerhard. Hij lepelt het verhaal op. Scheider luistert ademloos. Als Gerhard klaar is, lacht hij weifelend. ‘Het is ongelofelijk,’ zegt hij.
‘Beste vriend, zegt Gerhard, ‘je hebt er geen idee van hoeveel ongelofelijks gewoon gelofelijk is.’
Schneider kijkt hem geschrokken aan. ‘Wapens?’
Gerhard zet zijn ellebogen op tafel, en vouwt zijn handen over elkaar. Hij begint, zijn blik strak gericht op zijn knokkels, zijn bedoeling uiteen te zetten. Een informant is iemand die informatie levert over een criminele organisatie, zegt hij. Zo iemand kan zijn taak alleen uitvoeren als hij weet wat er in die organisatie gaande is. Bij Schneider is dat kennelijk niet het geval. Hij is, ja wat? Een randfiguur? Ja, zo kun je het misschien wel noemen. Een randfiguur. Om van nut te zijn, is het nodig dat hij een meer centrale rol krijgt in de groep. Dat hij als het ware opschuift naar het centrum. Als hij de groep wapens gaat leveren, zal dat betekenen dat hij promotie maakt, dat hij over meer informatie gaat beschikken. Hij zal een echte infiltrant worden.
‘Wat voor wapens?’ zegt Schneider schor.
‘Wapens,’ zegt Gerhard. ‘Wat ze maar willen. Handwapens, automatische wapens.’
‘Explosieven?’
‘Wat ze maar willen.’
‘Maar waarom?’ Aanslagen?
Ja natuurlijk, aanslagen, knikt Gerhard.
‘Maar hoezo, aanslagen? Op wie?’
‘Wat denk je?’
Op bedrijven? Op overheidsinstellingen?
‘Dat moeten ze zelf uitmaken.’
Op politici?
‘Voor mijn part pakken jullie Brandt,’ zegt Gerhard.
Schneiders gezicht drukt ongeloof uit. ‘Brandt? Maar Brandt…’
‘Ja?’
‘Dat is een socialist…’
‘Brandt is een revisionist,’ zegt Gerhard minzaam.
‘Een wat?’
‘Weet je wel hoe hij eigenlijk heet?’
Schneider kijkt hem niet begrijpend aan.
‘Eigenlijk heet hij Frahm,’ zegt Gerhard. ‘Herbert Frahm.’
‘Frahm?’
‘Die man is nog agent geweest van de KGB.’
‘De KGB?’ zegt Schneider ongelovig.
‘Het is echt zo,’ zegt Gerhard. Hij lepelt het verhaal op. Scheider luistert ademloos. Als Gerhard klaar is, lacht hij weifelend. ‘Het is ongelofelijk,’ zegt hij.
‘Beste vriend, zegt Gerhard, ‘je hebt er geen idee van hoeveel ongelofelijks gewoon gelofelijk is.’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten