In de auto, onderweg naar zijn flat in Keulen, laat Gerhard de gebeurtenissen aan zijn geestesoog voorbij gaan. Eigenlijk kan hij zich Schneider nog steeds niet voorstellen als serieuze infiltrant. De jongen begrijpt nauwelijks wat er van hem gevraagd wordt. En er is geen enkele garantie dat hij niet van gedachten verandert. Aan de andere kant, het geld dat op tafel werd gelegd was een krachtig verleidingsmiddel, dat is wel duidelijk. En de rol van wapenleverancier trekt hem aan.
Gerhard beseft dat hij moet roeien met de riemen die hij heeft. Hij schudt de muizenissen van zich af. Het is zoals het is. Na elf uur draait hij achter zijn flat zijn auto de parkeerplaats op, onder de ontbladerde platanen. Hij stapt uit en glijdt even uit over de dode bladeren, die in het spaarzame licht van de straatlantaarns geelbruin zijn als pakpapier.
Als hij het portier afsluit, valt hem een taxi op, een oude Amerikaanse Chevrolet, die met gedoofde lichten een paar honderd meter verder aan de straat staat geparkeerd. Gerhard kijkt om zich heen. Op de parkeerplaats beweegt niets. Snel loopt hij tussen de auto’s door naar de tegenoverliggende flat. Daar blijft hij staan, onder de galerij. Er beweegt nog steeds niets. De taxi is hiervandaan niet meer te zien. Onder dekking van de galerij loopt hij naar het plantsoen dat de flatgebouwen flankeert, en glipt tussen de natte struiken. Behoedzaam beweegt hij zich naar rechts, tot hij de voorkant van zijn eigen flat in het vizier heeft. De eerste woonlaag begint op een hoogte van ongeveer twee meter. Daaronder zijn de bergruimten: een blinde muur met een stekelige beplanting.
Gerhard blijft stil staan kijken, tot hij een beweging ziet. Niet ver van de hoek, een meter of drie van de ingang van de flat heeft zich iemand verdekt opgesteld.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten