‘Wat is het Gerd?’
Kaminsky wijst op zijn borst. ‘De longen,’ zegt hij.
‘Wat drink je?’
Kaminsky knikt naar de ober, die naast het tafeltje is verschenen.
Even later zit hij met voorzichtige slokjes zijn thee te drinken.
Von Hohenfels neemt hem op, zoals hij tegenover hem zit, in elkaar gezakt, nors, zo nu en dan spiedende blikken om zich heen werpend. ‘Gerd,’ zegt de FDP-functionaris, ‘voor alle duidelijkheid even, ik spreek hier met je, niet als lid van de Commissie van toezicht, maar als privépersoon. Dat daar geen misverstand over ontstaat. Ik spreek met je als een privépersoon, die het beste met je voorheeft, en die zeker openstaat, nee, die de grootste belangstelling heeft voor wat jij hebt mee te delen. Maar om te beginnen even persoonlijk. Ik constateer tot mijn genoegen dat je geen alcohol tot je hebt genomen…’
Hij kijkt hem even weifelend aan.
‘Of in ieder geval niet teveel, ‘vervolgt hij. ‘Daar ben ik blij om. Ik zal zelf de laatste zijn om iets af te doen aan het wonderbaarlijke vermogen van spiritualiën om de zwarigheid van het bestaan te verlichten, maar jij weet net zo goed als ik, juist in onze delicate positie: alles met mate, en overdaad schaadt. En dan wil ik nog even ingaan op je ziekteverlof. De mogelijkheid om je ziek te melden zonder dat dat financieel of anderszins consequenties heeft is een formidabele maatschappelijke verworvenheid. Maar jij en ik zullen het er over eens zijn dat op deze verworvenheid alleen in extremis een beroep dient te worden gedaan.’
Hij aarzelt even. ‘Ik twijfel er niet aan,’ vervolgt hij dan, ‘dat de positie waarin jij je bevindt heel wel als in extremis gekenschetst kan worden. Wat er bij de Sicherungsgruppe schijnt te zijn voorgevallen, het is allemaal niet gering. Maar ik wil er toch bij je op aan dringen om je tot het uiterste in te spannen om dit in extremis te overwinnen, om het als het ware onder de duim te krijgen, zodat je, ook in het belang van de zaak, op korte termijn, laten we zeggen toch echt niet later dan maandag aanstaande, je werkzaamheden kunt hervatten.’
Von Hohenfels leunt achterover en laat zijn woorden even op Kaminsky inwerken.
‘Dit gezegd zijnde,’ hervat hij dan, ‘kunnen we ons misschien wat meer en detail bezig houden met de onregelmatigheden waarop jij op je post aan de Liebknechtstrasse bent gestuit. Maar het is misschien aan te bevelen deze kwestie niet te bespreken in een horecagelegenheid, waar, laten we wel zijn, allerlei onbevoegde oren al dan niet opzettelijk kunnen meeluisteren, maar op een meer peripatetische, hoe zal ik het zeggen, ambulante wijze.’
Aldus wordt zonder uitstel overeengekomen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten