Ondanks deze fraaie omstandigheden is het gesprek dat hij met Kaminsky voert brokkelig. Ongemakkelijk. Von Hohenfels merkt wel dat er bij de kleine senioronderzoeker nogal wat rancune zit.
‘Ja, ja,’ zegt hij. ‘Jij zegt, onze Herr Gerhard is bezig een operatie uit te voeren die politiek wordt aangestuurd. Maar wat voor aanwijzingen heb je daarvoor? Jij zegt, iets anders is feitelijk uitgesloten. Maar ik zeg dan, aangenomen dat, aangenomen he! Aangenomen dat Herr Fischler, zoals jij het noemt, is overruled, wie overrulet hem dan? Nou? Wiesbaden, zeg ik. Misschien Herr Bödel, die president is van het Kriminalamt. Of een van zijn medewerkers.’
‘Maar je begrijpt toch wel…’ gromt Kaminsky.
‘Jij zegt, Bödel wordt politiek aangestuurd,’ gaat Von Hohenfels verder, met het gezicht van een fijnproever. ‘Maar dan zeg ik: politiek? Wat is politiek? Is dit een initiatief van Hans-Dietrich Genscher, onze partijgenoot, die Minister van Binnenlandse Zaken is, en onder wie het Kriminalamt valt? Moeilijk voorstelbaar, he? Of hebben we hier misschien te maken met politieke aansturing door onze coalitiegenoten van de SPD? Maar als dat zo is, praten we dan over aansturing in overleg met onze liberale geestverwanten? Wat het in zekere zin tot regeringsbeleid zou maken. Of is het een ordinaire, partijpolitieke aangelegenheid? Politieke aansturing, werk dat eens wat dieper uit.’
Kaminsky schudt onwillig het hoofd.
‘Ja,’ zegt Von Hohenfels tevreden, ‘dan stopt het he. Dan wordt het ondoorzichtig. En dan ligt het ook, laat ik zeggen, dan ligt het buiten onze competentie.’
Hij zwijgt een poos. Nadenkend. Wachtend op een mogelijke reactie van zijn gesprekspartner.
Maar die komt niet.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten