Rangen en standen, meent dr. Adalbert Fischler, zijn geen willekeurige, in essentie betekenisloze verschijnselen. Ze komen tot stand op basis van een rationele ordening van verdiensten. En horen als zodanig gerespecteerd te worden, en wel in de eerste plaats door degenen die ze bekleden. In dat opzicht is Herr Kommissar Emmerich Gerhard, die in de Sicherungsgruppe een coördinerende taak vervult, ernstig tekort geschoten. Niet alleen geeft hij de onder hem geplaatste medewerkers al geruime tijd een slecht voorbeeld door op een schandalige manier zijn plichten te verwaarlozen. Hij heeft bovendien blijk gegeven van een onaanvaardbaar gebrek aan respect voor wie boven hem gesteld is. Het is misschien zo dat hij van nog hoger gestelden opdracht heeft gekregen zekere operaties uit te voeren ter bestrijding van antimaatschappelijke groeperingen, maar dat betekent niet dat hij geen verantwoording schuldig is aan zijn direct leidinggevende. En al helemaal onacceptabel, nee ronduit schofferend, is het dat hij, voorbijgaand aan Fischler, zijn direct leidinggevende, instructies heeft uitgedeeld aan medewerkers van een organisatie met een taakstelling die fundamenteel niet strookt met de activiteiten waarmee dit soort instructies in verband staan.
Nadat Emmerich Gerhard op donderdag 5 november de medewerkers van de Sicherungsgruppe uiteen heeft gezet wat er van hen verwacht wordt, en zonder zich nader bij zijn diensthoofd te expliceren weer is vertrokken, belt dr. Adalbert Fischler razend en in de hoogste staat van opwinding naar Wiesbaden. Maar hij slaagt er niet in de president van de Kriminalamt aan de telefoon te krijgen.
Een dag later lijkt het of de urgentie op een geheimzinnige manier min of meer is weggeëbd, en hoewel Fischler nog steeds vast van plan is om Bödel op de hoogte te stellen van zijn gefundeerde bedenkingen bij Gerhards optreden, komt het er steeds niet van. Voor een deel is dat natuurlijk door zijn veelsoortige andere beslommeringen. Fischler is een drukbezet man. Maar ook een rol speelt de snel toenemende interne onrust die zijn aandacht opeist. Het begint ermee dat Rudi Drechsler die vrijdag zijn ‘portret’ van Irmgard Konopka onder alle bureaumedewerkers verspreidt. Het blijkt een werkstuk van vijfendertig getypte pagina’s, waarvan zeven pagina’s literatuurverwijzingen. Het rapport leidt tot enige opschudding en venijnige vragen in het werkoverleg van de kant van Weiss en Hahn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten