Het meest verontrustend zijn de geruchten die de omloop doen. Kranz is degene die Konopka ervan op de hoogte brengt. ‘Frau Anna,’ zegt hij, ‘die aanslag…’
‘Welke aanslag?’
‘Die aanslag op Brandt…’
‘Ik volg je niet.’
‘U weet wel,’ zegt hij, ‘dat idee van Schneider. Gaat dat nu toch gebeuren?’
‘Nee natuurlijk niet.’
‘Ze zeggen anders van wel.’
‘Wie zeggen van wel.’
Kranz maakt een weids gebaar. ‘Iedereen,’ zegt hij.
‘Iedereen?’
‘Nou ja, niet in het open natuurlijk. Ze weten allemaal hoe u daar over denkt.’
‘Die aanslag, dat is onzin, Uwe,’ zegt ze. ‘Met dat soort dingen houden wij ons niet bezig.’
‘Nee, dat dacht ik al,’ mompelt hij.
En hij komt er niet meer op terug.
Maar haar gedachten gaan natuurlijk onvermijdelijk naar Mehmet Schneider. Ze heeft de blonde Rijnlander in Rühle in feite buiten spel gezet. Hoe is het mogelijk dat het idee van de aanslag nu toch weer de kop opsteekt! Heeft Schneider de zaak buiten haar om toch met Eva besproken? Konopka spreekt Raabe aan over wat Kranz haar verteld heeft. Maar Raabe slaat nauwelijks aan. ‘Brandt?’ vraagt hij. ‘Dat doet de ronde?’ Maar dat heeft ze toch van de hand gewezen? Nee, hij heeft geen flauw idee waar dat vandaan komt. Van Eva? Maar hoe dan? Aha. Ja, misschien. Ja, als Eva dat te weten is gekomen, dat zou alles verklaren. Maar dan weet inmiddels de halve Bondsrepubliek er van.
Dan heeft Anna een probleem, he?
Konopka klapt dicht.
En Raabe wijdt zich monkelend weer aan zijn eigen bezigheden.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten