Na twee uur ‘s nachts is hij zover. In de bijkeuken pakt hij de 5-literjerrycan, die hij daar al dagenlang bewaart, en draagt die naar de achterbak van zijn auto. Daarna stapt hij in en rijdt naar het huis Am Kuhlendahl. Het is helemaal donker. Hij stapt uit en blijft op de stoep staan. Het motregent.
‘Vuile potten! schreeuwt hij. ‘Potten! Vuile tyfushoeren!’
Maar er komt geen reactie, noch uit de villa, noch uit de huizen van de buren.
Dus maakt hij de kofferbak open, en haalt de jerrycan tevoorschijn.
Hij maakt het hekje open en loopt waggelend de tuin in.
Hij sprenkelt de benzine.
Overal.
Over de struiken.
Over de perkjes met verlepte bloemen.
Over de rand van het rietdak.
Daarna loopt hij zuchtend en bevend achteruit, en zoekt in zijn zak tot hij een doosje lucifers vindt.
Als hij de lucifer van zich afgooit, rijst er onmiddellijk een muur van vlammen op.
Hij raakt in paniek en struikelt achteruit.
Vindt zijn auto. Stapt in.
En rijdt weg.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten