Na vijftienhonderd meter, met rechts het lorkenbosje dat nog een schim van zijn felgele naalden heeft bewaard, staat een andere hardloper links in de berm. Een grote vent, net als hijzelf gekleed in een trainingspak. Als Gerhard hem passeert, staat hij met de rug naar hem toe, verdiept in het een of ander. Even verder, ook aan zijn linkerkant, ziet hij een liefdespaar, dat innig verstrengeld dieper het bos in loopt. In een flits realiseert Gerhard zich wat de hardloper staat te doen. Door een plotselinge walging bevangen, draait hij zich om. Hij loopt terug en schopt woedend naar de knieën van de man. Een van de karatetrappen die al jaren tot zijn basisrepertoire horen, een trap zoals die hij nog onlangs heeft uitgedeeld aan Kasinke, bedoeld om echt pijn te doen. Maar ditmaal niet. De man heeft hem zien aankomen en ontwijkt zijn voet met een nauwelijks merkbare buiging van zijn knieën terwijl hij zich in een vloeiende beweging omdraait, met een uitgestoken elleboog. Hij is veel te snel. Gerhard ziet nog een flits van zijn gezicht, een jongeman van een jaar of vierentwintig, met een grote vierkante kin. Dan komt de elleboog hard en oorverdovend in zijn gezicht terecht. Hij struikelt en valt ruggelings in de bladeren, terwijl de man woedend nog een paar keer op hem inschopt. Zijn hoofd, zijn nieren, zijn hulpeloos spartelende benen.
‘Achterlijke idioot.’
Hij jogt weg, zonder nog aandacht aan hem te besteden.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten