zaterdag 24 september 2022

76. Terugreis

[Wat voorafging]

Na hun eerste ontmoeting op Sylt was Irmgard Konopka nog maar één keer over Bödel begonnen. Gerhard was onmiddellijk op zijn hoede. Ja, Klaus Bödel. Inderdaad, dat was zijn chef. O ja, al lang voordat hij naar Hamburg kwam. Ja, die had carrière gemaakt. President van het Kriminalamt. Maar dat wist ze. Een grote meneer. Ze was bij die gelegenheid niet begonnen over Sectie Vier. Terwijl daar in verband met Bödel natuurlijk wel het een of ander over te zeggen viel. Om een of andere reden waren ze in een ommezien afgedwaald in de krochten van de geschiedenis. Met Bödel had hij een lange geschiedenis. Eigenlijk ging dat helemaal terug tot ‘37. Toen hijzelf, vers van de handelsschool, werd aangenomen bij het Bureau Midden van de Keulse Schutzpolizei. Een wonder, in die jaren. Een baan ja. Natuurlijk, zei hij, het begon beter te gaan. Maar de banen lagen echt niet voor het opscheppen. Acht jaar ouder was Bödel. Hoofd van de Recherche? Nee, dat werd hij pas later. Na de oorlog. Nou ja, een keiharde politieman, Bödel. Iemand die zich, net als hijzelf, had opgewerkt uit de buitendienst. Een slecht mens? Natuurlijk. Zoals iedereen. Maar geen nazi. Of nou ja, geen idee. Je praatte daar niet over. Dat wist zij toch ook wel. En sowieso, je praatte niet over meerderen. Je praatte eigenlijk helemaal niet over politiek. Je liep je rondjes, en je hield je bek dicht. Feind hört mit, nietwaar? Nee, politiewerk. Alleen politiewerk. Surveilleren, processen verbaal. Het verkeer regelen. Soms een boef oppakken. Je deed je best, en je was blij als je een compliment kreeg.
‘Moeilijke jaren,’ zei ze peilend.
Ja, moeilijke jaren, knikte hij. Vooral vanaf ‘42, bij de steeds frequentere en steeds catastrofalere bombardementen van de geallieerden. Ja raar, maar in zekere zin was die hele oorlogstijd aan hem voorbij gegaan. Het enige wat er van over was, flarden van beelden. Zoals? Een ouderwetse autobus vol soldaten. Een plein met duiven, waar ook kinderen speelden. Een tram op de Hohenzollernring. De weidse overkoepeling van het Centraal Station. Aan het eind van de oorlog lag negentig procent van de stad in puin, wist ze dat? Van de 1.000.000 inwoners waren er nog maar zo’n 100.000 over. Doden? Niets dan doden. Doden in huizen, doden op straten, doden in het water. In een appartementengebouw dat onder een voltreffer van een vijfhonderdponder als een rijpe meloen uit elkaar was gebarsten.
En de stank.
‘Am deutschen Wesen soll die Welt genesen,’ zei ze daarop. Grimmig.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

414. Epiloog

  [ Wat voorafging] Het is rond deze tijd dat Norbert Gutschein, als hij op zijn gewone tijd op het kantoor verschijnt, in de gang Gerda Pfa...