De ondertekening van het verdrag verloopt voorspoedig. Na afloop, bij de lunch, steken zowel Cyrankiewicz als Gomoelka een anderhalf uur durende Oostblokspeech af, in het Pools, met een tolk die Brandt in de nek ademt met de Duitse vertaling. Hij laat zijn blikken langs de leuke Poolse meisjes dwalen die hen bedienen, en spreekt er zelfs een aan, maar ze verstaat nauwelijks Duits. Ondertussen luistert hij aandachtig. Politieke speeches zijn voor deze ervaren liefhebber puzzelplaatjes, waarin je kunt proberen net die paar woorden te vinden die zinspelen op, of kunnen gelden als verhullingen van wat er werkelijk in de spreker omgaat. Wat hij vindt is divers. Een vermoeden van teleurstelling of zelfs gepikeerdheid dat de Bondsrepubliek toch prioriteit heeft gegeven aan het verdrag met de Russen, waarachter een maar al te realistisch bewustzijn schuilgaat dat Rusland in deze regionen nu eenmaal de dienst uitmaakt. Is er iets te merken van wrok jegens een grootmacht die de Polen na de oorlog een paar honderd kilometer naar het westen heeft geschopt? Die het Poolse officierenkorps vrijwel heeft uitgeroeid? Die aan het eind van de oorlog de opstand in Warschau heeft laten doodbloeden, terwijl het Rode Leger op zijn reet zat? De Russen zijn een hard volk. Maar ook de Polen tonen in het stoïcisme waarin ze hun gekwetstheid verbergen een formidabele hardheid.
Wat onbuigzaam kunnen mensen zijn!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten