Dat gevoel verlaat hem niet tijdens de korte rit naar hun tweede stop, een verregend plantsoen tussen nieuwbouwflats, waar het monument staat voor de opstand in het getto. Als hij opnieuw moet uitstappen, heeft hij al bijna tranen in zijn ogen van zelfmedelijden. Met Cyrankiewicz naast zich legt hij de voorgeschreven route af. Een paar meter van het monument blijven ze staan, terwijl er namens de Bondsregering een krans wordt gelegd. Hij buigt, en stapt naar voren. Plotseling dringt zich uit de diepte van zijn ellende een inval aan hem op, die hij nooit zou hebben gehad als hij er niet zo ellendig aan toe was. Een ongewoon schitterende combinatie van wat hij voelt, van wat menselijk is en politiek handig. In een flits bekijkt hij de inval nog eens van alle kanten. Dan zakt hij stram door de knieën. En knielt. Stijf rechtop. In zijn zwarte winterjas. Voor de menora. De Davidster. De bronzen mensen die zich met plechtige gezichten ontworstelen aan een stenen trapezium.
Het geroezemoes zwelt aan. De camera’s klikken.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten